Pages

Gewrichten

De gewrichten verbinden de beenderen onderling zodat ze zich ten opzichte van elkaar kunnen bewegen. Ze zijn dus onmisbaar voor al onze bewegingen.

De meeste gewrichten van het lichaam zijn beweeglijk, soepel en lopen gesmeerd. Het gewrichtskraakbeen beschermt en vergemakkelijkt de bewegingen van de botuiteinden. Gewrichtsbanden versterken de stabiliteit van het gewricht door de beweging ervan binnen normale grenzen te houden.


De verschillende gewrichten:
  • De gewrichten worden gerangschikt naargelang hun vorm, maar ook volgens de mate van beweeglijkheid die ze toestaan. De vaste gewrichten (synarthrosen) zijn ruw, onregelmatig of getand. De beenderen zijn praktisch aan elkaar gegroeid door ktaakbeen of bindweefsel. Dit is zo bij de schedelbeenderen. De gewrichten met geringe beweeglijkheid (amfiartrosen) zijn gewrichten waarvan de beenderen zonder gewrichtsholtes door kraakbeen of bindweefsel verbonden zijn. De schijven die de wervels onderling scheiden, behoren tot dit soort gewrichten. Elke tussenwervelschijf fungeert als schokbreker tussen de wervels en laat beperkte buigbewegingen en draaibewegingen toe. Ten slotte verbinden de erg beweeglijke gewrichten (diarthrosen of synoviale gewrichten) de botuiteinden die van elkaar gescheiden zijn door een gewrichtsholte. Bij dit soort gewrichten zijn de botuiteinden bedekt met glad en stevig weefsel, het kraakbeen, dat de wrijving tijdens de beweging sterk vermindert. Het gewricht is omgeven door een (gewrichts)kapsel dat aan de binnenkant bedekt is met een fijn vlies, het synoviale membraan. Dit scheidt een kleurloze, slijmerige en lichtvloeibare stof af, het synoviaal vocht, dat de gewrichtsoppervlakken smeert en het kraakbeen voedt. Deze vloeistof is normaal slechts in kleine hoeveelheden aanwezig. Elk gewricht is omgeven door sterke gewrichtsbanden die de gewrichtsoppervlakken in contact houden en extreme bewegingen voorkomen. Sommige zeer stevige gewrichtsbanden bevinden zich in het gewricht zelf en vergroten daardoor de stabiliteit ervan. De kraakbeenoppervlakken lijken niet altijd even goed aangepast aan de vorm van de gewrichten. In dat geval zorgt een speciale structuur tussen de botuiteinden voor een perfecte aanvulling: dit is het geval voor de meniscus in de knie, het vetkussen van de heup en van de schouder
Soorten gewrichten:


Synarthrose: (vast gewricht) de schedelnaden verbinden de schedelbeenderen
Throchoïdeus: (rolgewricht of draaigewricht) Het cilindervormige gewricht tussen de atlas en de axis zorgt ervoor dat we het hoofd kunnen draaien
Enarthrose: (nootgewicht) het kogelvormige gewicht van de schouder (of de heup) laat bijna alle bewegingen toe
Condylus: het ellipsoïde gewricht van de pols zorgt voor buiging en strekking en ook voor zijdelingse beweging
Trochlea: de katrolbeweging (elleboog, enkel en kootjes) laat enkel buigbewegingen en strekbewegingen toe
Arthrodie: de vlakke gewrichten tussen de voetwortel en de middenvoet laten slechts een geringe glijdende beweging toe


Heupgewricht:

Het heupgewricht bevindt zich tussen het bekken en het bovenste botuiteinde van de dij. De heup is een erg stabiel gewricht: de ronde kop van het dijbeen past perfect in de holle, eveneens afgeronde en erg diepe, holte van het darmbeen. Sterke gewrichtsbanden verbinden het dijbeen met het bekken en zorgen zo voor de stabiliteit van de heup in alle richtingen en voor het stevig ondersteunen van het lichaamsgewicht tijdens alle energieke activiteiten van de onderste ledematen. Door de gewrichtsstructuur is een grote verscheidenheid aan bewegingen mogelijk

Synoviale vochtophoping:

Het gewricht is omgeven door een kapsel waarvan de binnenkant bekleed is met een vlies, het synoviaal membraan. Dit vlies scheidt normaal een vloeistof af die de binnenkant van het gewricht smeert. In geval van kwetsuur of ontsteking zal het vlies overmatig veel synoviaal vocht produceren waardoor het gewricht vaak pijnlijk opzwelt. Synoviale vochtophoping komt meestal voor bij de knie.

Zie ook:
De gewrichten verbinden de beenderen onderling zodat ze zich ten opzichte van elkaar kunnen bewegen. Ze zijn dus onmisbaar voor al onze bewegingen.

De meeste gewrichten van het lichaam zijn beweeglijk, soepel en lopen gesmeerd. Het gewrichtskraakbeen beschermt en vergemakkelijkt de bewegingen van de botuiteinden. Gewrichtsbanden versterken de stabiliteit van het gewricht door de beweging ervan binnen normale grenzen te houden.


De verschillende gewrichten:
  • De gewrichten worden gerangschikt naargelang hun vorm, maar ook volgens de mate van beweeglijkheid die ze toestaan. De vaste gewrichten (synarthrosen) zijn ruw, onregelmatig of getand. De beenderen zijn praktisch aan elkaar gegroeid door ktaakbeen of bindweefsel. Dit is zo bij de schedelbeenderen. De gewrichten met geringe beweeglijkheid (amfiartrosen) zijn gewrichten waarvan de beenderen zonder gewrichtsholtes door kraakbeen of bindweefsel verbonden zijn. De schijven die de wervels onderling scheiden, behoren tot dit soort gewrichten. Elke tussenwervelschijf fungeert als schokbreker tussen de wervels en laat beperkte buigbewegingen en draaibewegingen toe. Ten slotte verbinden de erg beweeglijke gewrichten (diarthrosen of synoviale gewrichten) de botuiteinden die van elkaar gescheiden zijn door een gewrichtsholte. Bij dit soort gewrichten zijn de botuiteinden bedekt met glad en stevig weefsel, het kraakbeen, dat de wrijving tijdens de beweging sterk vermindert. Het gewricht is omgeven door een (gewrichts)kapsel dat aan de binnenkant bedekt is met een fijn vlies, het synoviale membraan. Dit scheidt een kleurloze, slijmerige en lichtvloeibare stof af, het synoviaal vocht, dat de gewrichtsoppervlakken smeert en het kraakbeen voedt. Deze vloeistof is normaal slechts in kleine hoeveelheden aanwezig. Elk gewricht is omgeven door sterke gewrichtsbanden die de gewrichtsoppervlakken in contact houden en extreme bewegingen voorkomen. Sommige zeer stevige gewrichtsbanden bevinden zich in het gewricht zelf en vergroten daardoor de stabiliteit ervan. De kraakbeenoppervlakken lijken niet altijd even goed aangepast aan de vorm van de gewrichten. In dat geval zorgt een speciale structuur tussen de botuiteinden voor een perfecte aanvulling: dit is het geval voor de meniscus in de knie, het vetkussen van de heup en van de schouder
Soorten gewrichten:


Synarthrose: (vast gewricht) de schedelnaden verbinden de schedelbeenderen
Throchoïdeus: (rolgewricht of draaigewricht) Het cilindervormige gewricht tussen de atlas en de axis zorgt ervoor dat we het hoofd kunnen draaien
Enarthrose: (nootgewicht) het kogelvormige gewicht van de schouder (of de heup) laat bijna alle bewegingen toe
Condylus: het ellipsoïde gewricht van de pols zorgt voor buiging en strekking en ook voor zijdelingse beweging
Trochlea: de katrolbeweging (elleboog, enkel en kootjes) laat enkel buigbewegingen en strekbewegingen toe
Arthrodie: de vlakke gewrichten tussen de voetwortel en de middenvoet laten slechts een geringe glijdende beweging toe


Heupgewricht:

Het heupgewricht bevindt zich tussen het bekken en het bovenste botuiteinde van de dij. De heup is een erg stabiel gewricht: de ronde kop van het dijbeen past perfect in de holle, eveneens afgeronde en erg diepe, holte van het darmbeen. Sterke gewrichtsbanden verbinden het dijbeen met het bekken en zorgen zo voor de stabiliteit van de heup in alle richtingen en voor het stevig ondersteunen van het lichaamsgewicht tijdens alle energieke activiteiten van de onderste ledematen. Door de gewrichtsstructuur is een grote verscheidenheid aan bewegingen mogelijk

Synoviale vochtophoping:

Het gewricht is omgeven door een kapsel waarvan de binnenkant bekleed is met een vlies, het synoviaal membraan. Dit vlies scheidt normaal een vloeistof af die de binnenkant van het gewricht smeert. In geval van kwetsuur of ontsteking zal het vlies overmatig veel synoviaal vocht produceren waardoor het gewricht vaak pijnlijk opzwelt. Synoviale vochtophoping komt meestal voor bij de knie.

Zie ook:
reade more... Résuméabuiyad

Sommige fruit en groenten werken kankerverjagend

Aardbeien:
Is een goede bron van vitamine C, rijk aan ellagiczuur (deze stof neutraliseert kankerverwekkende stoffen voor ze het DNA van onze cellen kunnen aanvallen)





Wortelen:
Mensen die regelmatig wortelen eten, lopen minder kans op longkanker, maagkanker en blaaskanker. Wortelen bevatten 2 soorten carotenen die het immuunsysteem gezond houden











Tomaten:
Bevatten lypoceen, de stof die de tomaat rood kleurt. Het is bewezen dat lypoceen beschermend werkt tegen prostaatkanker en mogelijk ook andere kankervormen. Lypoceen wordt het best opgenomen in combinatie met vet, zoals met olijfolie




Blauwe bessen:
Bosbessen bevatten van alle fruitsoorten het meeste antioxidanten. Bosbessen bevatten pterostilbeen, dat beschermt tegen kanker en cholesterol verlaagt



Broccoli:
Bevat heel veel fytochemicaliën, deze halen kankerverwekkende stoffen uit onze cellen voor die erin slagen zich te vermenigvuldigen. Vooral kanker in het spijsverteringssysteem






Braziliaanse noten:
Paranoten bevatten veel selenium, dit mineraal activeert een enzym in ons lichaam dat beschermt tegen kankercellen




Rode en oranje pepers:
Zit heel veel vitamine C in en bevatten ook veel antioxidanten




Ajuin:
Uien bevatten zeer krachtige antioxidanten die risico op kanker verminderen





Look:
Look beschermt specifiek tegen celbeschadiging






Eten tegen kanker

Wat kunnen we doen om kanker te voorkomen en te genezen? Zijn we zelf bij machte om ons tegen deze slopende ziekte te verweren. Het antwoord is: ja! In dit rijk ge´llustreerde boek tonen twee prominente artsen en onderzoekers op het gebied van kanker aan dat onze eetgewoonten een cruciale rol spelen in het voorkomen en bestrijden van deze verschrikkelijke ziekte. Dat een gezonde voeding van belang is om in goede conditie te blijven, horen we vaak genoeg. Eten tegen kanker gaat echter veel verder. Dit boek: is gebaseerd op gloednieuwe wetenschappelijke feiten over kanker en voeding. maakt duidelijk dat geneeskrachtige voedingsmiddelen als kool, knoflook, frambozen, bessen en andere soorten fruit, groene thee, kruiden en chocolade de vorming van tumoren in ons lichaam kunnen voorkomen. levert nieuwe onomstotelijk bewijs dat de vorming van bloedvaten in tumoren (tumorale angiogenese), waardoor de kankercellen worden gevoed, kan worden afgeremd door een aangepast dieet. laat zien dat eten een bewuste bezigheid is. Dankzij de heldere voedingsadviezen kunnen we de statistieken nu in ons voordeel wijzigen.
Aardbeien:
Is een goede bron van vitamine C, rijk aan ellagiczuur (deze stof neutraliseert kankerverwekkende stoffen voor ze het DNA van onze cellen kunnen aanvallen)





Wortelen:
Mensen die regelmatig wortelen eten, lopen minder kans op longkanker, maagkanker en blaaskanker. Wortelen bevatten 2 soorten carotenen die het immuunsysteem gezond houden











Tomaten:
Bevatten lypoceen, de stof die de tomaat rood kleurt. Het is bewezen dat lypoceen beschermend werkt tegen prostaatkanker en mogelijk ook andere kankervormen. Lypoceen wordt het best opgenomen in combinatie met vet, zoals met olijfolie




Blauwe bessen:
Bosbessen bevatten van alle fruitsoorten het meeste antioxidanten. Bosbessen bevatten pterostilbeen, dat beschermt tegen kanker en cholesterol verlaagt



Broccoli:
Bevat heel veel fytochemicaliën, deze halen kankerverwekkende stoffen uit onze cellen voor die erin slagen zich te vermenigvuldigen. Vooral kanker in het spijsverteringssysteem






Braziliaanse noten:
Paranoten bevatten veel selenium, dit mineraal activeert een enzym in ons lichaam dat beschermt tegen kankercellen




Rode en oranje pepers:
Zit heel veel vitamine C in en bevatten ook veel antioxidanten




Ajuin:
Uien bevatten zeer krachtige antioxidanten die risico op kanker verminderen





Look:
Look beschermt specifiek tegen celbeschadiging






Eten tegen kanker

Wat kunnen we doen om kanker te voorkomen en te genezen? Zijn we zelf bij machte om ons tegen deze slopende ziekte te verweren. Het antwoord is: ja! In dit rijk ge´llustreerde boek tonen twee prominente artsen en onderzoekers op het gebied van kanker aan dat onze eetgewoonten een cruciale rol spelen in het voorkomen en bestrijden van deze verschrikkelijke ziekte. Dat een gezonde voeding van belang is om in goede conditie te blijven, horen we vaak genoeg. Eten tegen kanker gaat echter veel verder. Dit boek: is gebaseerd op gloednieuwe wetenschappelijke feiten over kanker en voeding. maakt duidelijk dat geneeskrachtige voedingsmiddelen als kool, knoflook, frambozen, bessen en andere soorten fruit, groene thee, kruiden en chocolade de vorming van tumoren in ons lichaam kunnen voorkomen. levert nieuwe onomstotelijk bewijs dat de vorming van bloedvaten in tumoren (tumorale angiogenese), waardoor de kankercellen worden gevoed, kan worden afgeremd door een aangepast dieet. laat zien dat eten een bewuste bezigheid is. Dankzij de heldere voedingsadviezen kunnen we de statistieken nu in ons voordeel wijzigen.
reade more... Résuméabuiyad

Spieren

Spieren bestaan uit vezelbundels die kunnen samentrekken of ontspannen om beweging mogelijk te maken of om zich te verzetten tegen een uitwendige kracht.

Spieren zijn nooit volledig ontspannen, maar altijd een weinig gespannen onder invloed van de zenuwimpulsen die uit het ruggenmerg komen. Dit noemen we spierspanning of spiertonus. Dankzij de spierspanning kunnen we de zwaartekracht overwinnen en kunnen we zitten en staan zonder ons hiermee bewust te moeten bezighouden. Alleen tijdens de fase van de diepe slaap zijn de spieren volledig ontspannen.

Een spier wordt gevormd door spiervezelbundels. Alle spiervezels zijn samengesteld uit kleine eenheden, de myofibrillen, die zelf weer bestaan uit naast elkaar gelegen myofilamenten die de samentrekking van de spieren mogelijk maken. Elke spiervezel is verbonden met een zenuwuiteinde dat bevelen ontvangt van de grote hersenen. Deze bevelen komen bij de spier terecht onder de vorm van zenuwimpulsen. Die maken in de myofibrillen een stof vrij (neurotransmitter), die een chemische kettingreactie veroorzaakt waardoor de myofilamenten langs elkaar heen glijden. Zo ontstaat de samentrekking.

Spieren zijn onderverdeeld in 3 soorten:

1) De skeletspieren: waarvan er meer dan 600 zijn, maken veruit het grootste deel van het spierstelsel uit. De skeletspieren zitten vastgehecht aan de beenderen en maken zo beweging mogelijk. Ze worden ook wel dwarsgestreepte spieren genoemd omdat de vezels ervan zeer strikt gerangschikt zijn. Ze zijn geklasseerd volgens hun bewegingswijze. Een buigspier (flexor) sluit een gewricht, terwijl een strekspier (extensor) het opent. Zo buigt de biceps de elleboog, terwijl de triceps hem sluit. Een adductor (aanvoerder) brengt een ledemaat naar de centrale lichaamsas toe, terwijl een abductor (afvoerder) hem ervan verwijdert. Een hefspier tilt de ledemaat op. Dank zij de sluitspieren kunnen de natuurlijke lichaamsopeningen worden afgesloten. Er wordt ook een onderscheid gemaakt tussen spieren die voor beweging zorgen (agonisten) en spieren die beweging tegengaan (antagonisten). Om precieze bewegingen te kunnen uitvoeren, moet er evenwicht zijn tussen agonisten en antagonisten. Sommige van de dwarsgestreepte weefsels die de skeletspieren vormen, trekken heel langzaam samen, daardoor zijn minder intense maar wel langdurige samentrekkingen mogelijk. Andere, die snel samentrekken, zorgen voor intense maar minder lang durende samentrekkingen. De verhouding tussen deze 2 soorten weefsels verschilt van persoon tot persoon en is ten dele genetisch bepaald, maar hangt ook samen met het werk dat de spieren moeten uitvoeren (bijvoorbeeld sport, dagelijkse activiteiten,...) waardoor bepaalde type van spier zal worden bevoordeeld. Zo zal een 
hardloper 
op lange afstanden een ander spierstelsel hebben dan een sprinter
2) De gladde spieren: ze worden gevormd door naaldvormige cellen die glad weefsel maken. Deze 
weefsels worden gecontroleerd door het autonome zenuwstelsel en niet door het motorische zenuwstelsel. Ze kunnen niet willekeurig worden samengetrokken of ontspannen, maar hangen af van reflexen of van hormonale stimulansen. De gladde spieren zorgen voor de beweging van de interne organen. Ze zorgen bijvoorbeeld voor de peristaltische beweging van de ingewanden, waardoor het voedsel wordt voortgestuwd of ook nog voor de beweging van de baarmoeder tijdens de bevalling. Veel andere organen worden bewogen door gladde spieren. Zoals de bronchiën, de blaas, de bloedvaten en het oog. In tegenstelling tot de skeletspieren worden de gladde spieren nooit moe: ze kunnen zonder ophouden werken
3) De hartspier: of myocardium, is een bijzondere spier. Ze behoort tot de dwarsgestreepte spieren, maar toch onwillekeurig. Ze heeft specifieke eigenschappen waardoor ze regelmatig kan samentrekken (ongeveer 100.000 x per dag) om het bloed door de slagaders te pompen. Het hartslagritme wordt in stand gehouden door een zenuwimpuls afkomstig uit een gebied in de rechterboezem, de sinusknoop. Deze zenuwimpuls wordt overgebracht door een specifiek spierweefselcomplex, de atrioventriculaire knoop, tot aan de spierwand die de 2 boezems en de 2 kleppen scheidt. Hierdoor trekken de hartspierweefsels samen en geven de samentrekking door van het ene weefsel naar het andere in het hele hart, eerst naar de boezems en daarna naar de kleppen. Het registreren van deze zenuwimpuls gebeurt via een elektrodiogram

Zie ook:
Spieren bestaan uit vezelbundels die kunnen samentrekken of ontspannen om beweging mogelijk te maken of om zich te verzetten tegen een uitwendige kracht.

Spieren zijn nooit volledig ontspannen, maar altijd een weinig gespannen onder invloed van de zenuwimpulsen die uit het ruggenmerg komen. Dit noemen we spierspanning of spiertonus. Dankzij de spierspanning kunnen we de zwaartekracht overwinnen en kunnen we zitten en staan zonder ons hiermee bewust te moeten bezighouden. Alleen tijdens de fase van de diepe slaap zijn de spieren volledig ontspannen.

Een spier wordt gevormd door spiervezelbundels. Alle spiervezels zijn samengesteld uit kleine eenheden, de myofibrillen, die zelf weer bestaan uit naast elkaar gelegen myofilamenten die de samentrekking van de spieren mogelijk maken. Elke spiervezel is verbonden met een zenuwuiteinde dat bevelen ontvangt van de grote hersenen. Deze bevelen komen bij de spier terecht onder de vorm van zenuwimpulsen. Die maken in de myofibrillen een stof vrij (neurotransmitter), die een chemische kettingreactie veroorzaakt waardoor de myofilamenten langs elkaar heen glijden. Zo ontstaat de samentrekking.

Spieren zijn onderverdeeld in 3 soorten:

1) De skeletspieren: waarvan er meer dan 600 zijn, maken veruit het grootste deel van het spierstelsel uit. De skeletspieren zitten vastgehecht aan de beenderen en maken zo beweging mogelijk. Ze worden ook wel dwarsgestreepte spieren genoemd omdat de vezels ervan zeer strikt gerangschikt zijn. Ze zijn geklasseerd volgens hun bewegingswijze. Een buigspier (flexor) sluit een gewricht, terwijl een strekspier (extensor) het opent. Zo buigt de biceps de elleboog, terwijl de triceps hem sluit. Een adductor (aanvoerder) brengt een ledemaat naar de centrale lichaamsas toe, terwijl een abductor (afvoerder) hem ervan verwijdert. Een hefspier tilt de ledemaat op. Dank zij de sluitspieren kunnen de natuurlijke lichaamsopeningen worden afgesloten. Er wordt ook een onderscheid gemaakt tussen spieren die voor beweging zorgen (agonisten) en spieren die beweging tegengaan (antagonisten). Om precieze bewegingen te kunnen uitvoeren, moet er evenwicht zijn tussen agonisten en antagonisten. Sommige van de dwarsgestreepte weefsels die de skeletspieren vormen, trekken heel langzaam samen, daardoor zijn minder intense maar wel langdurige samentrekkingen mogelijk. Andere, die snel samentrekken, zorgen voor intense maar minder lang durende samentrekkingen. De verhouding tussen deze 2 soorten weefsels verschilt van persoon tot persoon en is ten dele genetisch bepaald, maar hangt ook samen met het werk dat de spieren moeten uitvoeren (bijvoorbeeld sport, dagelijkse activiteiten,...) waardoor bepaalde type van spier zal worden bevoordeeld. Zo zal een 
hardloper 
op lange afstanden een ander spierstelsel hebben dan een sprinter
2) De gladde spieren: ze worden gevormd door naaldvormige cellen die glad weefsel maken. Deze 
weefsels worden gecontroleerd door het autonome zenuwstelsel en niet door het motorische zenuwstelsel. Ze kunnen niet willekeurig worden samengetrokken of ontspannen, maar hangen af van reflexen of van hormonale stimulansen. De gladde spieren zorgen voor de beweging van de interne organen. Ze zorgen bijvoorbeeld voor de peristaltische beweging van de ingewanden, waardoor het voedsel wordt voortgestuwd of ook nog voor de beweging van de baarmoeder tijdens de bevalling. Veel andere organen worden bewogen door gladde spieren. Zoals de bronchiën, de blaas, de bloedvaten en het oog. In tegenstelling tot de skeletspieren worden de gladde spieren nooit moe: ze kunnen zonder ophouden werken
3) De hartspier: of myocardium, is een bijzondere spier. Ze behoort tot de dwarsgestreepte spieren, maar toch onwillekeurig. Ze heeft specifieke eigenschappen waardoor ze regelmatig kan samentrekken (ongeveer 100.000 x per dag) om het bloed door de slagaders te pompen. Het hartslagritme wordt in stand gehouden door een zenuwimpuls afkomstig uit een gebied in de rechterboezem, de sinusknoop. Deze zenuwimpuls wordt overgebracht door een specifiek spierweefselcomplex, de atrioventriculaire knoop, tot aan de spierwand die de 2 boezems en de 2 kleppen scheidt. Hierdoor trekken de hartspierweefsels samen en geven de samentrekking door van het ene weefsel naar het andere in het hele hart, eerst naar de boezems en daarna naar de kleppen. Het registreren van deze zenuwimpuls gebeurt via een elektrodiogram

Zie ook:
reade more... Résuméabuiyad

Huid

De huid omsluit het lichaam en schermt de interne organen af van de buitenwereld. Het is een levende stof met een complexe structuur die zichzelf voortdurend vernieuwt.

De huid is het grootste orgaan van ons lichaam: de huid vertegenwoordigt 10% van ons gewicht en indien we de huid zouden uitrekken, zou deze een oppervlakte hebben van ongeveer 1,5 tot 2 m² in beslag nemen (bij volwassenen).



De huid is tegelijkertijd sterk, ondoordringbaar, soepel en is niet overal even dik: op de oogleden meet de huid nauwelijks 0,5 millimeter, ongeveer 4 millimeter op de handpalmen en op de voetzolen nog meer. Gemiddeld is de huid iets dikker bij de man dan bij de vrouw en wordt dunner naarmate we ouder worden. De kleur van de huid wordt bepaald door een groep donkere huidcellen, melanine. De hoeveelheid melanine is genetisch bepaald en hangt ook af hoeveel de huid aan de zon blootgesteld wordt. De oppervlakte van de huid bestaat uit afgestorven cellen die een sterke en ondoordringbare laag vormen. Dit is de hoornlaag die een beschermende barrière vormt tussen het organisme en de buitenwereld. Deze barrière is ook heel doeltreffend om het verlies van water door verdamping te beperken en ze maakt het lichaam ondoordringbaar. De oppervlakte van de huid is bedekt met talrijke minuscule openingen (ongeveer 2.000.000), de poriën; zij voeren het zweet af dat door de zweetklieren wordt geproduceerd. Andere, grotere openingen zijn de talgklieren waardoor de lichaamsharen en hoofdharen naar buiten komen. De talg die door de talgklieren wordt geproduceerd, wordt via deze openingen afgescheiden.

De talgklieren:



De talgklieren bevinden zich in de lederhuid. Ze zijn overal op de huid aanwezig, behalve op de handpalmen en de voetzolen. Het meest overvloedig vinden we de talgklieren op de hoofdhuid, het gezicht en de rug. Ze scheiden talg (sebum) af, een vettige stof die een essentiële rol speelt bij het smeren van de huid om ze soepel te houden en haar te beschermen tegen bepaalde ziekteverwekkers, zoals bacteriën, schimmels,...








Opbouw van de huid:
De huid bestaat uit een fijne buitenste laag, de epidernis (opperhuid) en een dikkere binnenste laag, de dernis (lederhuid). Onder de lederhuid bevindt zich de hypodernis (onderhuis bindweefsel):
  • De opperhuid (epidernis): versterkt de beschermende rol van de huid, vooral tegen water, fysieke en chemische aantastingen. Dit weefsel bestaat uit 3 soorten cellen. het overgrote deel zijn keratinocyten, dit zijn naast elkaar gelegen cellen die laagjes vormen en keratine produceren. Keratine is een complex van sterke proteïnes die de hoornlaag van de huid vormen. De keratinocyten hebben een erg bijzondere levenscyclus: ze worden gevormd in de diepste lagen van de opperhuid en verplaatsen zich geleidelijk naar de oppervlakte terwijl ze ondertussen keratine afscheiden en opnemen. Vervolgens verdrogen ze en vormen dan de hoornlaag. De keratine aan de oppervlakte schilfert af in 3 fijne laagjes om zo plaats te maken voor de keratine die onderaan wordt gevormd. Hierdoor wordt de bovenste hoornlaag constant vernieuwd. De melanocyten, andere cellen die in de diepste laag van de opperhuid worden gevormd, spelen ook een belangrijke rol. Ze scheiden melanines af, bruine pigmentstoffen die de kleur van huid, hoofdharen en lichaamsharen bepalen. Onder invloed van ultraviolet stralen uit het zonlicht wordt melanine meer of minder overvloedig geproduceerd en beschermt daardoor de huid tegen de schadelijke zonnestralen door ze te laten bruinen. Een derde soort cellen, die de opperhuid vormen, zijn de cellen van Langerhans die ons beschermen tegen infecties. Ze liggen verspreid tussen keratinocyten en zijn in staat om vreemde stoffen en micro-organismen die door de huid dringen, op te nemen en te vernietigen
  • De lederhuid (dernis): is de middelste laag van de huid. De lederhuid zorgt voor stevigheid en weerstand dankzij de collageenweefsels en voor soepelheid dankzij de elastineweefsels. Bovendien beschermt de lederhuid, onderhuidse gebieden tegen mechanische invloeden. In de lederhuid bevinden zich ook de sensorische zenuwuiteinden die de ontvangen informatie doorgeven aan de ganse huid (gevoel van aanraken, pijn, temperatuur,...), evenals de bloedvaten die de opperhuid voeden en de temperatuur van het lichaam regelen
  • De onderhuids bindweefsel (hypodernis): wordt gevormd door vetweefsel. Ze wordt doorsneden door bleodvaten en bevat de zweetafscheidende klieren (zweetklieren) en de wortels van de langste haren
Lichaamsharen en hoofdharen:
  • Ontstaan in de lederhuid. ze vormen rond de wortel een omhulsel: de haarfollikel of het haarzakje. Vervolgens doorkruisen ze de opperhuid en komen dan uit de huid te voorschijn via de poriën. Bij het haar hoort meestal een talgkliertje. Het zichtbare deel van het haar is de schacht
Nagels:
  • Bestaan uit verschillende lagen erg harde keratine. Ze rusten op de diepe huid en zijn omgeven door een huidplooi die de binnenste gebieden hermetisch afschermt
Zweetklieren:
  • Zijn erg talrijk, vooral op de handpalmen, de voetzolen en de behaarde delen. Ze bevinden zich in de lederhuid en worden gevormd door een bolletje waaruit het zweet wordt afgescheiden en een recht kanaaltje dat het zweet naar de oppervlakte brengt via de porie. Deze klieren regelen de lichaamstemperatuur en houden de huid vochtig
Zie ook:
De huid omsluit het lichaam en schermt de interne organen af van de buitenwereld. Het is een levende stof met een complexe structuur die zichzelf voortdurend vernieuwt.

De huid is het grootste orgaan van ons lichaam: de huid vertegenwoordigt 10% van ons gewicht en indien we de huid zouden uitrekken, zou deze een oppervlakte hebben van ongeveer 1,5 tot 2 m² in beslag nemen (bij volwassenen).



De huid is tegelijkertijd sterk, ondoordringbaar, soepel en is niet overal even dik: op de oogleden meet de huid nauwelijks 0,5 millimeter, ongeveer 4 millimeter op de handpalmen en op de voetzolen nog meer. Gemiddeld is de huid iets dikker bij de man dan bij de vrouw en wordt dunner naarmate we ouder worden. De kleur van de huid wordt bepaald door een groep donkere huidcellen, melanine. De hoeveelheid melanine is genetisch bepaald en hangt ook af hoeveel de huid aan de zon blootgesteld wordt. De oppervlakte van de huid bestaat uit afgestorven cellen die een sterke en ondoordringbare laag vormen. Dit is de hoornlaag die een beschermende barrière vormt tussen het organisme en de buitenwereld. Deze barrière is ook heel doeltreffend om het verlies van water door verdamping te beperken en ze maakt het lichaam ondoordringbaar. De oppervlakte van de huid is bedekt met talrijke minuscule openingen (ongeveer 2.000.000), de poriën; zij voeren het zweet af dat door de zweetklieren wordt geproduceerd. Andere, grotere openingen zijn de talgklieren waardoor de lichaamsharen en hoofdharen naar buiten komen. De talg die door de talgklieren wordt geproduceerd, wordt via deze openingen afgescheiden.

De talgklieren:



De talgklieren bevinden zich in de lederhuid. Ze zijn overal op de huid aanwezig, behalve op de handpalmen en de voetzolen. Het meest overvloedig vinden we de talgklieren op de hoofdhuid, het gezicht en de rug. Ze scheiden talg (sebum) af, een vettige stof die een essentiële rol speelt bij het smeren van de huid om ze soepel te houden en haar te beschermen tegen bepaalde ziekteverwekkers, zoals bacteriën, schimmels,...








Opbouw van de huid:
De huid bestaat uit een fijne buitenste laag, de epidernis (opperhuid) en een dikkere binnenste laag, de dernis (lederhuid). Onder de lederhuid bevindt zich de hypodernis (onderhuis bindweefsel):
  • De opperhuid (epidernis): versterkt de beschermende rol van de huid, vooral tegen water, fysieke en chemische aantastingen. Dit weefsel bestaat uit 3 soorten cellen. het overgrote deel zijn keratinocyten, dit zijn naast elkaar gelegen cellen die laagjes vormen en keratine produceren. Keratine is een complex van sterke proteïnes die de hoornlaag van de huid vormen. De keratinocyten hebben een erg bijzondere levenscyclus: ze worden gevormd in de diepste lagen van de opperhuid en verplaatsen zich geleidelijk naar de oppervlakte terwijl ze ondertussen keratine afscheiden en opnemen. Vervolgens verdrogen ze en vormen dan de hoornlaag. De keratine aan de oppervlakte schilfert af in 3 fijne laagjes om zo plaats te maken voor de keratine die onderaan wordt gevormd. Hierdoor wordt de bovenste hoornlaag constant vernieuwd. De melanocyten, andere cellen die in de diepste laag van de opperhuid worden gevormd, spelen ook een belangrijke rol. Ze scheiden melanines af, bruine pigmentstoffen die de kleur van huid, hoofdharen en lichaamsharen bepalen. Onder invloed van ultraviolet stralen uit het zonlicht wordt melanine meer of minder overvloedig geproduceerd en beschermt daardoor de huid tegen de schadelijke zonnestralen door ze te laten bruinen. Een derde soort cellen, die de opperhuid vormen, zijn de cellen van Langerhans die ons beschermen tegen infecties. Ze liggen verspreid tussen keratinocyten en zijn in staat om vreemde stoffen en micro-organismen die door de huid dringen, op te nemen en te vernietigen
  • De lederhuid (dernis): is de middelste laag van de huid. De lederhuid zorgt voor stevigheid en weerstand dankzij de collageenweefsels en voor soepelheid dankzij de elastineweefsels. Bovendien beschermt de lederhuid, onderhuidse gebieden tegen mechanische invloeden. In de lederhuid bevinden zich ook de sensorische zenuwuiteinden die de ontvangen informatie doorgeven aan de ganse huid (gevoel van aanraken, pijn, temperatuur,...), evenals de bloedvaten die de opperhuid voeden en de temperatuur van het lichaam regelen
  • De onderhuids bindweefsel (hypodernis): wordt gevormd door vetweefsel. Ze wordt doorsneden door bleodvaten en bevat de zweetafscheidende klieren (zweetklieren) en de wortels van de langste haren
Lichaamsharen en hoofdharen:
  • Ontstaan in de lederhuid. ze vormen rond de wortel een omhulsel: de haarfollikel of het haarzakje. Vervolgens doorkruisen ze de opperhuid en komen dan uit de huid te voorschijn via de poriën. Bij het haar hoort meestal een talgkliertje. Het zichtbare deel van het haar is de schacht
Nagels:
  • Bestaan uit verschillende lagen erg harde keratine. Ze rusten op de diepe huid en zijn omgeven door een huidplooi die de binnenste gebieden hermetisch afschermt
Zweetklieren:
  • Zijn erg talrijk, vooral op de handpalmen, de voetzolen en de behaarde delen. Ze bevinden zich in de lederhuid en worden gevormd door een bolletje waaruit het zweet wordt afgescheiden en een recht kanaaltje dat het zweet naar de oppervlakte brengt via de porie. Deze klieren regelen de lichaamstemperatuur en houden de huid vochtig
Zie ook:
reade more... Résuméabuiyad

Beroerte

Bij een CVA (cerebrovasculair accident) of beroerte is er een kortdurende stoornis van de bloedtoevoer naar een deel van de hersenen waardoor hersenbeschadiging ontstaat met vaak ernstige gevolgen. De belangrijkste oorzaak is een tijdelijke obstructie in een bloedvat. Dit komt vooral voor bij ouderen. Een andere oorzaak is een bloeding in de hersenen, iets wat meer voorkomt bij jongeren. De gevolgen hangen samen met het deel van de hersenen dat is aangetast: de linker- of rechterhelft of de hersenstam. Wanneer het CVA de linkerhersenhelft treft, kunnen er rechtszijdige verlammingen optreden en is de spraak vaak aangetast. Wanneer de rechterhersenhelft is aangetast, kan de linkerkant van het lichaam verlamd zijn en kunnen er cognitieve (verstandelijke) stoornissen optreden zoals problemen met het kortetermijngeheugen, niet kunnen concentreren en emotionele stoornissen. Een accident in de hersenstam heeft onder andere gevolgen voor het evenwichtsgevoel.

Wat kan preventief helpen tegen een beroerte:
Amerikaanse glidkruid (meer info)

Ginkgo biloba (meer info)

Knoflook (meer info)

Maagdenpalm (meer info)

Na een beroerte
Bij een CVA (cerebrovasculair accident) of beroerte is er een kortdurende stoornis van de bloedtoevoer naar een deel van de hersenen waardoor hersenbeschadiging ontstaat met vaak ernstige gevolgen. De belangrijkste oorzaak is een tijdelijke obstructie in een bloedvat. Dit komt vooral voor bij ouderen. Een andere oorzaak is een bloeding in de hersenen, iets wat meer voorkomt bij jongeren. De gevolgen hangen samen met het deel van de hersenen dat is aangetast: de linker- of rechterhelft of de hersenstam. Wanneer het CVA de linkerhersenhelft treft, kunnen er rechtszijdige verlammingen optreden en is de spraak vaak aangetast. Wanneer de rechterhersenhelft is aangetast, kan de linkerkant van het lichaam verlamd zijn en kunnen er cognitieve (verstandelijke) stoornissen optreden zoals problemen met het kortetermijngeheugen, niet kunnen concentreren en emotionele stoornissen. Een accident in de hersenstam heeft onder andere gevolgen voor het evenwichtsgevoel.

Wat kan preventief helpen tegen een beroerte:
Amerikaanse glidkruid (meer info)

Ginkgo biloba (meer info)

Knoflook (meer info)

Maagdenpalm (meer info)

Na een beroerte
reade more... Résuméabuiyad

Hart- en vaatziekten

Atherosclerose (aderverkalking) is een langzaam voortschrijdend ziekteproces van de slagaders en kan reeds op jonge leeftijd optreden. Het proces begint in de binnenste laag van de slagaderwand. Er treedt een beschadiging op van het endotheel (is een bedekkend laagje aaneengesloten endotheelcellen dat de binnenkant van het hart, bloedvaten en lymfevaten bedekt) van de slagaderwand. op de plaats van de beschadiging van het endotheel klonteren bloedplaatjes samen; deze hechten zich aan endotheel. Als het proces voortschrijdt, treden er verbindweefsels en kalkafzetting op. De vaatwand wordt dikker, waardoor de bloeddoorstroming van het bloedvat kleiner wordt. De belangrijkste complicaties van aderverkalking zijn: hartkramp, hartinfarct, beroerte (CVA) en embolie (bloedstolsel). Deze complicaties worden vaak aangeduid met hart- en vaatziekten. Omdat hart- en vaatziekten frequent voorkomen en omdat er veel mensen eraan sterven, wordt er hieromtrent veel onderzoek naar gedaan naar de oorzaken. Zo zijn er een aantal belangrijke risicofactoren voor hart- en vaatziekten: roken, hoge bloeddruk, te hoge cholesterolgehalte in het bloed, overmatig alcoholgebruik, overgewicht, diabetes mellitus, te weinig lichaamsbeweging. Tal van studies tonen het verband aan tussen voeding en hart- en vaatziekten. Sommige studies suggereren dat het risico van een infarct gereduceerd wordt door een vezelrijke voeding (veel fruit, groenten en graanproducten). Andere studies tonen aan dat het nuttig is vis te eten op lange termijn, omdat dit een gunstige invloed heeft op het vetgehalte in het bloed en de bloeddruk verbetert. Wie af en toe een glaasje alcohol drinkt, meer bepaald wijn, zou minder risico van hart- en vaatziekten lopen, meer bepaald minder risico van een hartinfarct.

Wat kan helpen als preventie tegen hart- en vaatziekte:
Knoflook (meer info)

Ui (meer info)

L-serine (meer info)

Vlozaad (meer info)

Vitamine A (meer info)

Vitamine B6 (meer info)

Vitamine C (meer info)

Vitamine E (meer info)



Atherosclerose (aderverkalking) is een langzaam voortschrijdend ziekteproces van de slagaders en kan reeds op jonge leeftijd optreden. Het proces begint in de binnenste laag van de slagaderwand. Er treedt een beschadiging op van het endotheel (is een bedekkend laagje aaneengesloten endotheelcellen dat de binnenkant van het hart, bloedvaten en lymfevaten bedekt) van de slagaderwand. op de plaats van de beschadiging van het endotheel klonteren bloedplaatjes samen; deze hechten zich aan endotheel. Als het proces voortschrijdt, treden er verbindweefsels en kalkafzetting op. De vaatwand wordt dikker, waardoor de bloeddoorstroming van het bloedvat kleiner wordt. De belangrijkste complicaties van aderverkalking zijn: hartkramp, hartinfarct, beroerte (CVA) en embolie (bloedstolsel). Deze complicaties worden vaak aangeduid met hart- en vaatziekten. Omdat hart- en vaatziekten frequent voorkomen en omdat er veel mensen eraan sterven, wordt er hieromtrent veel onderzoek naar gedaan naar de oorzaken. Zo zijn er een aantal belangrijke risicofactoren voor hart- en vaatziekten: roken, hoge bloeddruk, te hoge cholesterolgehalte in het bloed, overmatig alcoholgebruik, overgewicht, diabetes mellitus, te weinig lichaamsbeweging. Tal van studies tonen het verband aan tussen voeding en hart- en vaatziekten. Sommige studies suggereren dat het risico van een infarct gereduceerd wordt door een vezelrijke voeding (veel fruit, groenten en graanproducten). Andere studies tonen aan dat het nuttig is vis te eten op lange termijn, omdat dit een gunstige invloed heeft op het vetgehalte in het bloed en de bloeddruk verbetert. Wie af en toe een glaasje alcohol drinkt, meer bepaald wijn, zou minder risico van hart- en vaatziekten lopen, meer bepaald minder risico van een hartinfarct.

Wat kan helpen als preventie tegen hart- en vaatziekte:
Knoflook (meer info)

Ui (meer info)

L-serine (meer info)

Vlozaad (meer info)

Vitamine A (meer info)

Vitamine B6 (meer info)

Vitamine C (meer info)

Vitamine E (meer info)



reade more... Résuméabuiyad

Creatieve therapie

Creativiteit is de aanminnigste vorm, om het dagelijkse te verbloemen tot een draaglijke tijdigheid.
Pegelen
Mensen met emotionele problemen kunnen met behulp van creatieve therapie worden geholpen, hun diepste gedachten en gevoelens visueel te uiten. In plaats van patiënten medicijnen te geven, die hun symptomen onderdrukken, worden ze aangemoedigd hun gevoelens aan anderen kenbaar te maken door middel van tekenen, schilderen, beeldende kunst, drama, dans, muziek,... Vaak worden angsten en behoeften geuit die zo diep begraven liggen, dat de persoon zich vaak niet eens van bewust is. Als er dan visueel vorm aan wordt gegeven, kan dat de eerste stap zijn om de patiënt te helpen zijn problemen onder ogen te zien en ze de baas te worden. Deze vorm van therapie werd voor het eerst in de jaren '40 toegepast. Dit was voornamelijk het resultaat ven de inspanningen van de kunstenaar Adrian Hill en psychoterapeute Irene Champernowne.

Voor wie is creatieve therapie geschikt:
  • Alle mensen met emotionele en/of psychische problemen, mensen die zichzelf beter willen leren kennen, kunnen er baat bij hebben, vooral als men zich verbaal moeilijk kan uiten. Creatieve groepstherapie wordt voornamelijk aanbevolen voor mensen, die moeilijk contact maken met anderen, problemen hebben zoals verslavingen, anorexia, boulimie, lichamelijk of psychisch gehandicapt zijn waardoor communiceren moeilijk is. Patiënten die langdurig in een kliniek zijn opgenomen, leren beter te communiceren waardoor de terugkeer in de maatschappij wordt vergemakkelijkt. Mensen met weinig zelfrespect kunnen aan zelfvertrouwen winnen en het gevoel krijgen dat ze iets presteren
Pioniers in creatieve therapie:
  • Het eerste experiment met creativiteit als een vorm van therapie vond min of meer toevallig plaats. De kunstschilder Adrian Hill herstelde in het begin van de tweede wereldoorlog in een Engels sanatorium van tuberculose. Hij begon daar weer te schilderen en zette andere patiënten ook aan tot schilderen en tekenen om hen af te leiden van hun ziekte en traumatische ervaringen. Tot zijn verbazing ontdekte Adrian dat men niet alleen enthousiast was, maar de tekeningen ook gebruikte om alle meegemaakte ellende te uiten. Zonder dat het zijn bedoeling was, was hij de eerste creatieve therapeut geworden. Een andere pionier was Irene Champernowne, die een psychotherapeutische opleiding bij de Zwitsers analyticus Jung volgde. Ze was onder de indruk van het feit, dat Jung schilderen en boetseren gebruikte om patiënten te helpen hun onbewuste gevoelens te uiten. Zelf wist ze hierdoor ook een emotionele crisis te boven te komen. In 1942 richtte het echtpaar Champernowne een centrum op voor psychotherapie door middel van creativiteit en nam kunstenaars, musici, dansers en medische deskundigen in dienst. Hoewel ze op verschillende manieren werkten (Adrian als een verlicht kunstenaar en Irene als therapeute), legden beiden een basis voor het vak van creatief therapeut. De vrucht van hun werk en dat van hun volgelingen, onder wie Edward Adamson, de eerste kunstenaar die een volledige baan in een psychiatrische instelling had, werd verder uitgedragen
Zie ook:
Creativiteit is de aanminnigste vorm, om het dagelijkse te verbloemen tot een draaglijke tijdigheid.
Pegelen
Mensen met emotionele problemen kunnen met behulp van creatieve therapie worden geholpen, hun diepste gedachten en gevoelens visueel te uiten. In plaats van patiënten medicijnen te geven, die hun symptomen onderdrukken, worden ze aangemoedigd hun gevoelens aan anderen kenbaar te maken door middel van tekenen, schilderen, beeldende kunst, drama, dans, muziek,... Vaak worden angsten en behoeften geuit die zo diep begraven liggen, dat de persoon zich vaak niet eens van bewust is. Als er dan visueel vorm aan wordt gegeven, kan dat de eerste stap zijn om de patiënt te helpen zijn problemen onder ogen te zien en ze de baas te worden. Deze vorm van therapie werd voor het eerst in de jaren '40 toegepast. Dit was voornamelijk het resultaat ven de inspanningen van de kunstenaar Adrian Hill en psychoterapeute Irene Champernowne.

Voor wie is creatieve therapie geschikt:
  • Alle mensen met emotionele en/of psychische problemen, mensen die zichzelf beter willen leren kennen, kunnen er baat bij hebben, vooral als men zich verbaal moeilijk kan uiten. Creatieve groepstherapie wordt voornamelijk aanbevolen voor mensen, die moeilijk contact maken met anderen, problemen hebben zoals verslavingen, anorexia, boulimie, lichamelijk of psychisch gehandicapt zijn waardoor communiceren moeilijk is. Patiënten die langdurig in een kliniek zijn opgenomen, leren beter te communiceren waardoor de terugkeer in de maatschappij wordt vergemakkelijkt. Mensen met weinig zelfrespect kunnen aan zelfvertrouwen winnen en het gevoel krijgen dat ze iets presteren
Pioniers in creatieve therapie:
  • Het eerste experiment met creativiteit als een vorm van therapie vond min of meer toevallig plaats. De kunstschilder Adrian Hill herstelde in het begin van de tweede wereldoorlog in een Engels sanatorium van tuberculose. Hij begon daar weer te schilderen en zette andere patiënten ook aan tot schilderen en tekenen om hen af te leiden van hun ziekte en traumatische ervaringen. Tot zijn verbazing ontdekte Adrian dat men niet alleen enthousiast was, maar de tekeningen ook gebruikte om alle meegemaakte ellende te uiten. Zonder dat het zijn bedoeling was, was hij de eerste creatieve therapeut geworden. Een andere pionier was Irene Champernowne, die een psychotherapeutische opleiding bij de Zwitsers analyticus Jung volgde. Ze was onder de indruk van het feit, dat Jung schilderen en boetseren gebruikte om patiënten te helpen hun onbewuste gevoelens te uiten. Zelf wist ze hierdoor ook een emotionele crisis te boven te komen. In 1942 richtte het echtpaar Champernowne een centrum op voor psychotherapie door middel van creativiteit en nam kunstenaars, musici, dansers en medische deskundigen in dienst. Hoewel ze op verschillende manieren werkten (Adrian als een verlicht kunstenaar en Irene als therapeute), legden beiden een basis voor het vak van creatief therapeut. De vrucht van hun werk en dat van hun volgelingen, onder wie Edward Adamson, de eerste kunstenaar die een volledige baan in een psychiatrische instelling had, werd verder uitgedragen
Zie ook:
reade more... Résuméabuiyad