Pages

Zebra

Hand-painted zebra. 7 centimetres.
Stuffed zebra

Refer to elephant about sewing.
Parts

Ears, tail, hoofs and mane.
Ears and so on
Glue 2 sheets of felt and cut out a circle. This is a hoof.
Ears are almost the same as hamster's.
Wind a white thread (double) on the upper of a bunch of black threads. It's a tail.
The mane is black and white threads (see pattern image).

Sew the neck and the mane.
Sew the neck

Sew beads as eyes.
Glue hoofs to the legs after stuffing.
Glue the hoof

I use oily felt-tip pen and dye pen for painting.
Paint zebra

Attach the tail and the ears.

Zebra back

Pattern.
Zebra pattern
Hand-painted zebra. 7 centimetres.
Stuffed zebra

Refer to elephant about sewing.
Parts

Ears, tail, hoofs and mane.
Ears and so on
Glue 2 sheets of felt and cut out a circle. This is a hoof.
Ears are almost the same as hamster's.
Wind a white thread (double) on the upper of a bunch of black threads. It's a tail.
The mane is black and white threads (see pattern image).

Sew the neck and the mane.
Sew the neck

Sew beads as eyes.
Glue hoofs to the legs after stuffing.
Glue the hoof

I use oily felt-tip pen and dye pen for painting.
Paint zebra

Attach the tail and the ears.

Zebra back

Pattern.
Zebra pattern
reade more... Résuméabuiyad

Elephant

Small stuffed elephant of felt. 6 centimetres.
Stuffed elephant

Back

This is all hand-sewn.
Cut the parts without seam allowance.
Felt pieces

Darts are sewn from inside.
Sew darts

Other seams are sewed outside.
Sew the head

Sew the soles.
Sew

You may put a wire wrapped with cotton batting in the nose.
Stuffing

Tail and tusk.
Sew tail and tusk

Stitch beads as eyes. Attach the tusks.
Sew the wrinkles of nose.
Eyes and tusk
Then attach ears.

Pattern.
Elephant pattern

If you are not a novice, add seam allowances and sew from inside.
It may look better and be strong.
Small stuffed elephant of felt. 6 centimetres.
Stuffed elephant

Back

This is all hand-sewn.
Cut the parts without seam allowance.
Felt pieces

Darts are sewn from inside.
Sew darts

Other seams are sewed outside.
Sew the head

Sew the soles.
Sew

You may put a wire wrapped with cotton batting in the nose.
Stuffing

Tail and tusk.
Sew tail and tusk

Stitch beads as eyes. Attach the tusks.
Sew the wrinkles of nose.
Eyes and tusk
Then attach ears.

Pattern.
Elephant pattern

If you are not a novice, add seam allowances and sew from inside.
It may look better and be strong.
reade more... Résuméabuiyad

Hart

Het hart is een vitaal orgaan dat de bloedcirculatie van het lichaam verzekert waardoor alle weefsels van het organisme van zuurstof en voedingsstoffen worden voorzien.

Het hart is een soort pomp die sterk genoeg is om gans het organisme te bevloeien. Het slaat onophoudelijk en houdt daarbij rekening met periodes van rust en inspanning. Tijdens een mensenleven trekt het hart zo'n 2.500.000 x samen


Het hart is een holle spier, het myocardium, die in de borstkas ligt, tussen de 2 longen. Het wordt bevloeid door de kransslagaders en omgeven door een beschermende zak, het pericardium. Elke hartslag wordt veroorzaakt door elektrische pulsen afkomstig uit gespecialiseerde spiercellen die samen de sinusknoop vormen. Het hart bestaat uit 4 holle ruimtes. De 2 bovenste kamers zijn de hartboezems en de 2 onderste zijn de hartkamers. Elke boezem is met de bijhorende kamer verbonden door een opening afgesloten door een klep. Grote aders voeden de boezems met bloed terwijl de slagaders het bloed dat door de hartkamers wordt gepompt, wegvoeren


  • De hartboezems: worden onderling gescheiden door een fijne wand, het septum interauriculare. De rechterboezem ontvangt zuurstofarm bloed, terwijl de linkerboezem, die beetje dikker is, bloed ontvangt dat in de longen met zuurstof is verrijkt
  • De hartkamers: worden gescheiden door een tussenschot, het septum interventriculare. De rechterkamer stuurt zuurstofarm bloed via de longslagaders naar de longen, terwijl de linkerkamer zuurstofrijk bloed via de aorta door het ganse lichaam stuwt
  • De kleppen: in totaal zijn er 4 kleppen. Zij zorgen ervoor dat het bloed slechts in één richting kan stromen, van de boezems naar de kamers (rechts de drieslippige hartklep, links de tweeslippige hartklep) en van de kamers naar de slagaders die vanuit het hart vertrekken (rechts de longklep, links de aortaklep)
  • Aankomst van het bloed in het hart: het zuurstofarme bloed keert via 2 holle aders teruf in de rechterboezem. Het stroomt door de rechterkamer en wordt dan naar de longen gestuurd via de longslagader. In de longen wordt zuurstof aan het bloed toegevoegd en daarna keert het terug naar het linkerhart via de 4 longaders
  • Het rechter- en linkerhart: via de longslagader stuurt het rechterhart zuurstofarm bloed naar de longen: dit is de kleine bloedcirculatie. Het linkerhart vangt het zuurstofrijke bloed uit de longen op en pompt het via de aorta door het ganse lichaam: dit is de grote bloedcirculatie
Het hart verzekert de bloedcirculatie in de bloedvaten en zorgt er daardoor voor dat aan alle behoeften van het lichaam wordt voldaan. Dit is mogelijk omdat het hart automatisch werkt en is totaal onafhankelijk van onze wil en controle. Het slaat voortdurend en trekt daarbij gemiddeld 70 x per minuut samen waarbij het tussen 4,4 en 5 liter bloed per minuut pompt. Het hartritme varieert van persoon tot persoon:het is sneller bij kinderen en vertraagt geleidelijk met het ouder worden. Door de zeer sterke en duurzame samentrekking van het hart zijn inspanningen die uithoudingsvermogen vergen, mogelijk. Het hartritme wordt gecontroleerd door de zenuwen van het vegetatieve zenuwstelsel. In rust is het de parasympathische zenuw (nervus vagus of dwalende zenuw) die de overhand heeft. Zodra een inspanning moet worden geleverd, wordt het hart gestimuleerd door de activiteiten van de sympathische zenuw, terwijl ook hormonen (catecholaminen) worden vrijgemaakt. Door deze mechanismen heeft het hart een groot aanpassingsvermogen. Door de versterkte samentrekking van het myocardium en de verhoging van het hartritme (tot 200 x per minuut) kan, tijdens een inspanning, meer dan 40 liter bloed per minuut worden weggepompt, dit is 8 x het debiet van het hart in rust.



Zie ook:

Herken en vermijd de risico's voor uw hart

Dit boek biedt vele adviezen om de vier risicofactoren van hartproblemen, een hoog cholesterolgehalte, hoge bloeddruk, te hoog gewicht en ontstekingen, te lijf te gaan. Lees in dit dikke naslagwerk hoe u met een positieve kijk op het leven, meer beweging en ontspanning tot een gezonder hart komt. Heerlijke recepten, gezonde tussendoortjes, eenvoudige oefeningen en ontspanningsmethoden, voedingssupplementen, dagelijkse wandelingen en meer helpen u daarbij op weg. Beantwoord elke avond de 'vier vitale vragen' en u vermindert het risico op een hartinfarct.




Het hart is een vitaal orgaan dat de bloedcirculatie van het lichaam verzekert waardoor alle weefsels van het organisme van zuurstof en voedingsstoffen worden voorzien.

Het hart is een soort pomp die sterk genoeg is om gans het organisme te bevloeien. Het slaat onophoudelijk en houdt daarbij rekening met periodes van rust en inspanning. Tijdens een mensenleven trekt het hart zo'n 2.500.000 x samen


Het hart is een holle spier, het myocardium, die in de borstkas ligt, tussen de 2 longen. Het wordt bevloeid door de kransslagaders en omgeven door een beschermende zak, het pericardium. Elke hartslag wordt veroorzaakt door elektrische pulsen afkomstig uit gespecialiseerde spiercellen die samen de sinusknoop vormen. Het hart bestaat uit 4 holle ruimtes. De 2 bovenste kamers zijn de hartboezems en de 2 onderste zijn de hartkamers. Elke boezem is met de bijhorende kamer verbonden door een opening afgesloten door een klep. Grote aders voeden de boezems met bloed terwijl de slagaders het bloed dat door de hartkamers wordt gepompt, wegvoeren


  • De hartboezems: worden onderling gescheiden door een fijne wand, het septum interauriculare. De rechterboezem ontvangt zuurstofarm bloed, terwijl de linkerboezem, die beetje dikker is, bloed ontvangt dat in de longen met zuurstof is verrijkt
  • De hartkamers: worden gescheiden door een tussenschot, het septum interventriculare. De rechterkamer stuurt zuurstofarm bloed via de longslagaders naar de longen, terwijl de linkerkamer zuurstofrijk bloed via de aorta door het ganse lichaam stuwt
  • De kleppen: in totaal zijn er 4 kleppen. Zij zorgen ervoor dat het bloed slechts in één richting kan stromen, van de boezems naar de kamers (rechts de drieslippige hartklep, links de tweeslippige hartklep) en van de kamers naar de slagaders die vanuit het hart vertrekken (rechts de longklep, links de aortaklep)
  • Aankomst van het bloed in het hart: het zuurstofarme bloed keert via 2 holle aders teruf in de rechterboezem. Het stroomt door de rechterkamer en wordt dan naar de longen gestuurd via de longslagader. In de longen wordt zuurstof aan het bloed toegevoegd en daarna keert het terug naar het linkerhart via de 4 longaders
  • Het rechter- en linkerhart: via de longslagader stuurt het rechterhart zuurstofarm bloed naar de longen: dit is de kleine bloedcirculatie. Het linkerhart vangt het zuurstofrijke bloed uit de longen op en pompt het via de aorta door het ganse lichaam: dit is de grote bloedcirculatie
Het hart verzekert de bloedcirculatie in de bloedvaten en zorgt er daardoor voor dat aan alle behoeften van het lichaam wordt voldaan. Dit is mogelijk omdat het hart automatisch werkt en is totaal onafhankelijk van onze wil en controle. Het slaat voortdurend en trekt daarbij gemiddeld 70 x per minuut samen waarbij het tussen 4,4 en 5 liter bloed per minuut pompt. Het hartritme varieert van persoon tot persoon:het is sneller bij kinderen en vertraagt geleidelijk met het ouder worden. Door de zeer sterke en duurzame samentrekking van het hart zijn inspanningen die uithoudingsvermogen vergen, mogelijk. Het hartritme wordt gecontroleerd door de zenuwen van het vegetatieve zenuwstelsel. In rust is het de parasympathische zenuw (nervus vagus of dwalende zenuw) die de overhand heeft. Zodra een inspanning moet worden geleverd, wordt het hart gestimuleerd door de activiteiten van de sympathische zenuw, terwijl ook hormonen (catecholaminen) worden vrijgemaakt. Door deze mechanismen heeft het hart een groot aanpassingsvermogen. Door de versterkte samentrekking van het myocardium en de verhoging van het hartritme (tot 200 x per minuut) kan, tijdens een inspanning, meer dan 40 liter bloed per minuut worden weggepompt, dit is 8 x het debiet van het hart in rust.



Zie ook:

Herken en vermijd de risico's voor uw hart

Dit boek biedt vele adviezen om de vier risicofactoren van hartproblemen, een hoog cholesterolgehalte, hoge bloeddruk, te hoog gewicht en ontstekingen, te lijf te gaan. Lees in dit dikke naslagwerk hoe u met een positieve kijk op het leven, meer beweging en ontspanning tot een gezonder hart komt. Heerlijke recepten, gezonde tussendoortjes, eenvoudige oefeningen en ontspanningsmethoden, voedingssupplementen, dagelijkse wandelingen en meer helpen u daarbij op weg. Beantwoord elke avond de 'vier vitale vragen' en u vermindert het risico op een hartinfarct.




reade more... Résuméabuiyad

Bloedsomloop

De bloedsomloop zorgt voor de circulatie en de verdeling van het bloed over het ganse lichaam. Hierdoor worden de cellen van zuurstof voorzien en de afvalstoffen afgevoerd.

De bloedsomloop bevat een pomp (het hart) en een zeer dicht netwerk van bloedvaten (slagaders, aders, lymfevaten) die het lichaam bevloeien. De doorsnede van de bloedvaten gaat in dalende lijn van het hart (grote vaten) tot de uiteinden van het lichaam (arteriën, venen, capillairen).


Het hart:
  • Het hart bestaat uit 4 holle ruimtes (2 boezems en 2 kamers) en weegt tussen 250 en 300 gram. Het wordt in 2 helften verdeeld door hermetische tussenschotten waardoor een rechterhart en een linkerhart ontstaat. De hartwand bestaat uit 3 lagen, van binnen naarbuiten: het endocardium, dat de binnenkant van de hartholtes bekleedt en de buitenkant van de kleppen; de hartspier (myocardium), die uit spierweefsel bestaat; het epicardium dat de buitenkant van het hart bekleedt; en het pericardium, het zakje waarin het hart zich bevindt.
De bloedvaten:
  • De arteriën of slagaders: het bloed verlaat het hart via de slagaders. Die brengen het zuurstofrijke bloed van het hart naar de organen en sturen het zuurstofarme bloed van het hart naar de longen. De doorsnede ervan gaat in dalende lijn van de aorta en de longslagader naar de arteriolen toe
  • De venen of aders: zij moeten het bloed naar het hart brengen. De 2 holle aders brengen zuurstofarm bloed uit het hele lichaam naar het hart. De 4 longaders brengen het zuurstofrijke bloed uit de longen terug naar het hart. De doorsnede ervan vergroot van de adertjes naar de holle aders toe
  • De capillairen of haarvaten: ze liggen tussen het slagadernetwerk en het adernetwerk en laten uitwisseling toe tussen het bloed en de cellen, tussen het bloed en de lucht. Dit gebeurt ter hoogte van de longblaasjes
Soorten bloedsomlopen:
De bloedsomloop vervoert zuurstof en stoffen die onmisbaar zijn voor een goede werking van de weefsels en zorgt ook voor het afvoeren van de afvalstoffen (vooral koolzuurgas).
- De grote bloedsomloop (lichaamscirculatie): ze voorziet gans het lichaam van bloed, met uitzondering van de longen en heeft speciale kenmerken naar gelang de weefsels die ze bevloeit (de bloedsomloop van de hersenen, van de nieren, van het spijsverteringsstelsel)
- De kleine bloedsomloop (longcirculatie):
ze verwijdert het koolzuurgas en verrijkt het bloed opnieuw met zuurstof in de longen
- Plaatselijke bloedsomlopen:

  1. De bloedsomloop van de hersenen: wordt verzekerd door 4 hersenslagaders (2 slagaders vooraan in de hals en 2 wervelslagaders, achteraan) die samenkomen aan de basis van de hersenen. Het bloed uit de aders wordt vervolgens door de grote halsaders naat het hart gevoerd
  2. De bloedsomloop van het hart: 2 slagaders zijn verantwoordelijk voor de zuurstofvoorziening van het hart: de rechterkransslagader en de linkerkransslagader en de zijtakken daarvan
  3. De bloedsomloop van de nieren: wordt verzekerd door de 2 nierslagaders die het bloed van de aorta naar de nieren brengen
Het nemen van de bloeddruk:
Dit gebeurt met behulp van een bloeddrukmeter. Dit apparaat bestaat uit een opblaasbare manchet die rond de bovenarm van de patiënt wordt gewikkeld, een rubberen peer waarmee de manchet wordt opgeblazen en een afleessysteem. De druk die wordt gemeten, is de druk van het bloed in de slagaders: ze wordt uitgedrukt in kwikmillimeters (mmHg) en bestaat steeds uit 2 cijfers. De normale bloeddruk bij een volwassene is 130/80 mmHg (druk van 13/8); de bloeddruk verhoogt met de leeftijd, maar zou 140/90 mmHg (druk 14/9) niet mogen overschrijden. Anders spreekt men van arteriële hypertensie of hoge bloeddruk.


Controle van de bloedsomloop:
De bloedsomloop wordt voortdurend nauwkeurig afgeregeld. Ze staat onder controle van het zenuwstelsel en het hormoonstelsel.
  • Bloedsomloop en het zenuwstelsel: het hart heeft een dubbele innervatie: enerzijds de hartstimulerende sympathische zenuw en anderzijds de hartmatigende parasympathische zenuw
  • Bloedsomloop en het hormoonstelsel: er zijn minstens 2 organen betrokken bij de regeling. De nieren scheiden renine af dat bijdraagt tot het in stand houden van de druk in de slagaders en de klier van het bijniermerg produceert stoffen die de overbrenging van zenuwimpulsen bevorderen (adrenaline, een stof die het hart kan stimuleren)
Aanpassingen van de bloedsomloop:
  • Door de grote aanpassingsmogelijkheden van het hart en de variatiemogelijkheden in de doorsnede van de bloedvaten (vasomotriciteit) kan de bloedsomloop zowel efficiënt reageren op een toestand van rust als op inspanning, warmte en stress
Zie ook:
De bloedsomloop zorgt voor de circulatie en de verdeling van het bloed over het ganse lichaam. Hierdoor worden de cellen van zuurstof voorzien en de afvalstoffen afgevoerd.

De bloedsomloop bevat een pomp (het hart) en een zeer dicht netwerk van bloedvaten (slagaders, aders, lymfevaten) die het lichaam bevloeien. De doorsnede van de bloedvaten gaat in dalende lijn van het hart (grote vaten) tot de uiteinden van het lichaam (arteriën, venen, capillairen).


Het hart:
  • Het hart bestaat uit 4 holle ruimtes (2 boezems en 2 kamers) en weegt tussen 250 en 300 gram. Het wordt in 2 helften verdeeld door hermetische tussenschotten waardoor een rechterhart en een linkerhart ontstaat. De hartwand bestaat uit 3 lagen, van binnen naarbuiten: het endocardium, dat de binnenkant van de hartholtes bekleedt en de buitenkant van de kleppen; de hartspier (myocardium), die uit spierweefsel bestaat; het epicardium dat de buitenkant van het hart bekleedt; en het pericardium, het zakje waarin het hart zich bevindt.
De bloedvaten:
  • De arteriën of slagaders: het bloed verlaat het hart via de slagaders. Die brengen het zuurstofrijke bloed van het hart naar de organen en sturen het zuurstofarme bloed van het hart naar de longen. De doorsnede ervan gaat in dalende lijn van de aorta en de longslagader naar de arteriolen toe
  • De venen of aders: zij moeten het bloed naar het hart brengen. De 2 holle aders brengen zuurstofarm bloed uit het hele lichaam naar het hart. De 4 longaders brengen het zuurstofrijke bloed uit de longen terug naar het hart. De doorsnede ervan vergroot van de adertjes naar de holle aders toe
  • De capillairen of haarvaten: ze liggen tussen het slagadernetwerk en het adernetwerk en laten uitwisseling toe tussen het bloed en de cellen, tussen het bloed en de lucht. Dit gebeurt ter hoogte van de longblaasjes
Soorten bloedsomlopen:
De bloedsomloop vervoert zuurstof en stoffen die onmisbaar zijn voor een goede werking van de weefsels en zorgt ook voor het afvoeren van de afvalstoffen (vooral koolzuurgas).
- De grote bloedsomloop (lichaamscirculatie): ze voorziet gans het lichaam van bloed, met uitzondering van de longen en heeft speciale kenmerken naar gelang de weefsels die ze bevloeit (de bloedsomloop van de hersenen, van de nieren, van het spijsverteringsstelsel)
- De kleine bloedsomloop (longcirculatie):
ze verwijdert het koolzuurgas en verrijkt het bloed opnieuw met zuurstof in de longen
- Plaatselijke bloedsomlopen:

  1. De bloedsomloop van de hersenen: wordt verzekerd door 4 hersenslagaders (2 slagaders vooraan in de hals en 2 wervelslagaders, achteraan) die samenkomen aan de basis van de hersenen. Het bloed uit de aders wordt vervolgens door de grote halsaders naat het hart gevoerd
  2. De bloedsomloop van het hart: 2 slagaders zijn verantwoordelijk voor de zuurstofvoorziening van het hart: de rechterkransslagader en de linkerkransslagader en de zijtakken daarvan
  3. De bloedsomloop van de nieren: wordt verzekerd door de 2 nierslagaders die het bloed van de aorta naar de nieren brengen
Het nemen van de bloeddruk:
Dit gebeurt met behulp van een bloeddrukmeter. Dit apparaat bestaat uit een opblaasbare manchet die rond de bovenarm van de patiënt wordt gewikkeld, een rubberen peer waarmee de manchet wordt opgeblazen en een afleessysteem. De druk die wordt gemeten, is de druk van het bloed in de slagaders: ze wordt uitgedrukt in kwikmillimeters (mmHg) en bestaat steeds uit 2 cijfers. De normale bloeddruk bij een volwassene is 130/80 mmHg (druk van 13/8); de bloeddruk verhoogt met de leeftijd, maar zou 140/90 mmHg (druk 14/9) niet mogen overschrijden. Anders spreekt men van arteriële hypertensie of hoge bloeddruk.


Controle van de bloedsomloop:
De bloedsomloop wordt voortdurend nauwkeurig afgeregeld. Ze staat onder controle van het zenuwstelsel en het hormoonstelsel.
  • Bloedsomloop en het zenuwstelsel: het hart heeft een dubbele innervatie: enerzijds de hartstimulerende sympathische zenuw en anderzijds de hartmatigende parasympathische zenuw
  • Bloedsomloop en het hormoonstelsel: er zijn minstens 2 organen betrokken bij de regeling. De nieren scheiden renine af dat bijdraagt tot het in stand houden van de druk in de slagaders en de klier van het bijniermerg produceert stoffen die de overbrenging van zenuwimpulsen bevorderen (adrenaline, een stof die het hart kan stimuleren)
Aanpassingen van de bloedsomloop:
  • Door de grote aanpassingsmogelijkheden van het hart en de variatiemogelijkheden in de doorsnede van de bloedvaten (vasomotriciteit) kan de bloedsomloop zowel efficiënt reageren op een toestand van rust als op inspanning, warmte en stress
Zie ook:
reade more... Résuméabuiyad

Bloedgroepen

Mensen hebben niet hetzelfde bloed. De indeling van het bloed in groepen die identieke kenmerken vertonen, is van essentieel belang om compatibiliteit tussen donoren en bloedontvangers tijdens bloedtransfusies te garanderen.

Het bloed bestaat uit een vloeibaar gedeelte (plasma) en uit cellen (rode en witte bloedlichaampjes en de bloedplaatjes). Op de oppervlakte van deze cellen (vooral op de rode bloedcellen) bevinden zich stoffen, antigenen genoemd. Het is de taak van antigenen om te reageren indien vreemde elementen het organisme binnendringen. Dit doen ze door antilichamen te vormen; dit proces noemt men immuunreactie. De antigenen verschillen van mens tot mens. Een patiënt die men een bloedtransfusie geeft met antigenen die hijzelf niet bezit, reageert hierop door antilichamen te vormen tegen dit antigeen. De transfusie is dan ondoeltreffend (de rode bloedlichaampjes die via de transfusie overgebracht werden, worden vernietigd door het serum van de ontvanger) of ze kan de vernietiging van de rode
bloedlichaampjes van de ontvanger met zich meebrengen met vaak ernstige gevolgen:
  • Koorts
  • Nierinffuciëntie
  • Shocktoestand
Daarom zal men, voor elke transfusie nagaan welke antigenen in het bloed van de patiënt aanwezig zijn zodat men compatibel bloed kan geven. Er bestaan talloze soorten antigenen ( een twintigtal voor de rode bloedlichaampjes alleen al). De verschillende antigenen die tot eenzelfde soort behoren, vormen een bloedgroep. Er bestaan dus talrijke bloedgroepen, maar niet elke bloedgroep is even belangrijk bij een bloedtransfusie. Compatibiliteit binnen dezelfde groep moet alleen maar dwingend gerespecteerd worden voor 2 soorten antigenen, het ABO-systeem en de Rhesusfactor.






















Het ABO-systeem:

Dit systeem werd in 1900 ontdekt door de Duitse arts Karl Landsteiner. Door bloed van verschillende personen te vermengen, ontdekte hij dat alleen bepaalde mengsels mogelijk waren bij een bloedtransfusie. Hij ontdekte zo 2 antigenen op de oppervlakte van rode bloedlichamen en noemde die A en B. Naargelang het bloed van een persoon het ene of het andere, beide of geen enkele van die antigenen bevatte, klasseerde hij ze in de groep A, B, AB of O. Bovendien ontdekte hij dat het bloed antilichamen bevat die verschillen naargelang men tot de ene of andere groep behoort: de personen van groep B hebben antilichamen tegen A, die van groep A hebben antilichamen tegen B en die van groep O hebben antilichamen tegen zowel A als B. De personen van groep O, die bloed kunnen geven aan personen van alle andere groepen (maar die zelf alleen maar bloed kunnen ontvangen van groep O), noemt men universele donoren, personen uit de groep AB, die bloed van eender welke groep kunnen ontvangen, zijn universele dragers.
Het ABO-systeem: bepaling van de bloedgroep uit een bloedstaal van de patiënt
worden gemengd met serumtesten; de reacties die verkregen worden, laten toe
de bloedgroep te bepalen

De Rhesusfactor:
  • De rhesusfactor werd in 1940 door dezelfde arts ontdekt. Deze factor geeft aanvullende informatie bij de classificatie door het ABo-systeem. De Rhesusfactor is genoemd naar een aap uit Zuidoost-Azië, waarop Landsteiner zijn experimenten uitvoerde. Deze factor wordt gekenmerkt door talloze antigenen waarvan er 5 (D, C, c, E en e) echt belangrijk zijn, omdat ze in staat zijn om de aanmaak van antilichamen met zich mee te brengen wanneer ze worden overgebracht naar een patiënt die niet over het overeenstemmende antigeen beschikt. Een persoon die het antigeen D heeft, wordt Rhesuspositief (Rh+) genoemd, een persoon die dit antigeen niet heeft, Rhesusnegatief (Rh-). De rode bloed lichaampjes zijn bovendien ook dragers van de antigenen C, E, c en e, verschillende geassocieerd volgens genetische wetten: een bloedlichaam dat geen drager is van het C-antigeen, is noodzakelijkerwijze drager van het c-antigeen en omgkeerd. Hetzelfde geldt ook voor de antigenen E en e. Wanneer een Rh- moeder zwanger is van een Rh+ kind, leidt het contact tussen haar bloed en dat van het kind tot de vorming van anti-Rhesus-antilichamen bij de moeder. Dit contact komt gewoonlijk slechts tot stand tijdens de bevalling. Maar indien deze vrouw een tweede Rh+ kind verwacht, bestaat het risico dat haar anti-Rhesus-antilichamen de rode bloedcellen van de foetus vernietigen, waardoor deze een ernstige vorm van anemie kan oplopen, de hemolytische anemie van de pasgeborene. Vandaag worden zwangere vrouwen onderworpen aan een bloedonderzoek bij het begin van de zwangerschap om na te gaan of ze Rh- zijn. In dat geval, na de bevalling en indien hun kind Rh+ is, zal men haar een stof inspuiten die de vorming van anti-Rhesus-antilichamen verhindert. Vandaar dat hemolytische anemie aan het verdwijnen is
  • Er bestaan nog andere groepen, bepaald door verschillende antigenen die aanwezig zijn aan het oppervlak van de rode bloedlichamen. Het Kell-Cellano-systeem is het belangrijkste wat bloedtransfusie betreft. Men spoort de antilichamen van dit systeem op bij zwangere vrouwen en bij personen die al meerdere malen een transfusie hebben ondergaan. Andere classificaties hebben betrekking op andere bloedcellen: er bestaan antigenen die eigen zijn aan bloedplaatjes (voornamelijk PLA1 en PLA2), maar die weinig belang hebben bij een bloedtransfusie. Ten slotte berust HLA systeem (Human Leucocyte Antigen) op de classificatie van antigenen die voorkomen op bloedcellen, met uitzondering van de rode bloedlichamen; ze zijn van belang bij een transfusie en er wordt ook rekening mee gehouden bij transplantatie van beendermerg of organen
Zie ook:
Het bloedgroepdieet De leefregels
Elke bloedgroep een eigen programma voor optimale gezondheid van lichaam en geest
D'Adamo, P.J


De grondlegger van het bloedgroepdieet is Peter J. D’Adamo.
Hij ontdekte in de vijftiger jaren van de vorige eeuw dat sommige patiënten vegetarische en vetarme kost bijzonder goed verdroegen, maar anderen juist helemaal niet. Een mogelijke verklaring hiervoor vermoedde hij in het bloed van de mensen. Na jarenlange ondervragingen en onderzoeken van patiënten kwam hij tot de conclusie dat een dieet altijd iets heel individueels is en dat de bloedgroep ook mee beslist over welke levensmiddelen goed worden verdragen en welke minder goed. Zo ontwikkelde hij het bloedgroepdieet.
De bloedgroepenvoeding is een gevarieerde voeding. De maaltijden zijn volwaardig. Bij een gezonde voeding speelt de kwaliteit van de levensmiddelen een grote rol.

Bloedgroep O:

  • Bloedgroep 0 is historisch gezien de oudste en meest voorkomende bloedgroep ter wereld. Het is de bloedgroep van de jagers en verzamelaars van weleer, die vleeseters waren. Dat betekent echter niet dat mensen met bloedgroep 0 elke dag grote hoeveelheden vlees moeten eten. Maar het is een feit dat ze meer kunnen presteren wanneer ze 4 tot 6 maal per week een kleinere hoeveelheid van ca. 120 gr. vlees of vis op het menu zetten. Voor bloedgroep 0 is regelmatige lichaamsbeweging echter ook bijzonder belangrijk
Bloedgroep A:
  • Vanuit bloedgroep 0 ontwikkelde zich bloedgroep A, als reactie op de levenswijze van de mensen, die steeds meer begonnen voorraden aan te leggen en voedingsmiddelen zelf te produceren (landbouw, boeren). Het immuunsysteem en het spijsverteringssysteem pasten zich aan de nu overwegend plantaardige voeding aan. Mensen met bloedgroep A verdragen een overwegend plantaardige voeding
Bloedgroep B:
  • Vanuit de vaste akkerbouwgemeenschappen ontwikkelde zich de nomade, de mens met bloedgroep B. Volkrijke stammen trokken door de vaak onvruchtbare verre gebieden. Ze voedden zich met vlees en melkproducten van hun kuddes en met al het eetbare dat ze tijdens hun trektochten tegenkwamen.
Bloedgroep AB:
  • Ongeveer 1000 tot 1500 jaar geleden ontwikkelde zich de tegenwoordige zelden voorkomende bloedgroep AB. Het AB-type is een nakomeling uit een verbintenis tussen mensen met bloedgroep A en die met bloedgroep B. Een mens met bloedgroep AB heeft de meest sterke en zwakke punten van de types A en B in zich verenigd
Iedereen kan en moet het liefst de adviezen van de bloedgroepentheorie voor zichzelf testen.
Dat gaat het gemakkelijkst als u gedurende 2 tot 3 weken bij voorkeur levensmiddelen gebruikt die worden aanbevolen voor een bepaalde bloedgroep. Na deze proeftijd beoordeelt u uw persoonlijk welzijn en eventuele veranderingen ten opzichte van de tijd voordat u uw voeding wijzigde. Als u daarna terugkeert naar uw oude voedingspatroon dan zou u een verschil moeten kunnen vaststellen in hoe u zich voelt. Het verschil is natuurlijk des te groter naarmate uw normale voeding meer afwijkt van de volgens de bloedgroepentheorie meest geschikte voeding.

Mensen hebben niet hetzelfde bloed. De indeling van het bloed in groepen die identieke kenmerken vertonen, is van essentieel belang om compatibiliteit tussen donoren en bloedontvangers tijdens bloedtransfusies te garanderen.

Het bloed bestaat uit een vloeibaar gedeelte (plasma) en uit cellen (rode en witte bloedlichaampjes en de bloedplaatjes). Op de oppervlakte van deze cellen (vooral op de rode bloedcellen) bevinden zich stoffen, antigenen genoemd. Het is de taak van antigenen om te reageren indien vreemde elementen het organisme binnendringen. Dit doen ze door antilichamen te vormen; dit proces noemt men immuunreactie. De antigenen verschillen van mens tot mens. Een patiënt die men een bloedtransfusie geeft met antigenen die hijzelf niet bezit, reageert hierop door antilichamen te vormen tegen dit antigeen. De transfusie is dan ondoeltreffend (de rode bloedlichaampjes die via de transfusie overgebracht werden, worden vernietigd door het serum van de ontvanger) of ze kan de vernietiging van de rode
bloedlichaampjes van de ontvanger met zich meebrengen met vaak ernstige gevolgen:
  • Koorts
  • Nierinffuciëntie
  • Shocktoestand
Daarom zal men, voor elke transfusie nagaan welke antigenen in het bloed van de patiënt aanwezig zijn zodat men compatibel bloed kan geven. Er bestaan talloze soorten antigenen ( een twintigtal voor de rode bloedlichaampjes alleen al). De verschillende antigenen die tot eenzelfde soort behoren, vormen een bloedgroep. Er bestaan dus talrijke bloedgroepen, maar niet elke bloedgroep is even belangrijk bij een bloedtransfusie. Compatibiliteit binnen dezelfde groep moet alleen maar dwingend gerespecteerd worden voor 2 soorten antigenen, het ABO-systeem en de Rhesusfactor.






















Het ABO-systeem:

Dit systeem werd in 1900 ontdekt door de Duitse arts Karl Landsteiner. Door bloed van verschillende personen te vermengen, ontdekte hij dat alleen bepaalde mengsels mogelijk waren bij een bloedtransfusie. Hij ontdekte zo 2 antigenen op de oppervlakte van rode bloedlichamen en noemde die A en B. Naargelang het bloed van een persoon het ene of het andere, beide of geen enkele van die antigenen bevatte, klasseerde hij ze in de groep A, B, AB of O. Bovendien ontdekte hij dat het bloed antilichamen bevat die verschillen naargelang men tot de ene of andere groep behoort: de personen van groep B hebben antilichamen tegen A, die van groep A hebben antilichamen tegen B en die van groep O hebben antilichamen tegen zowel A als B. De personen van groep O, die bloed kunnen geven aan personen van alle andere groepen (maar die zelf alleen maar bloed kunnen ontvangen van groep O), noemt men universele donoren, personen uit de groep AB, die bloed van eender welke groep kunnen ontvangen, zijn universele dragers.
Het ABO-systeem: bepaling van de bloedgroep uit een bloedstaal van de patiënt
worden gemengd met serumtesten; de reacties die verkregen worden, laten toe
de bloedgroep te bepalen

De Rhesusfactor:
  • De rhesusfactor werd in 1940 door dezelfde arts ontdekt. Deze factor geeft aanvullende informatie bij de classificatie door het ABo-systeem. De Rhesusfactor is genoemd naar een aap uit Zuidoost-Azië, waarop Landsteiner zijn experimenten uitvoerde. Deze factor wordt gekenmerkt door talloze antigenen waarvan er 5 (D, C, c, E en e) echt belangrijk zijn, omdat ze in staat zijn om de aanmaak van antilichamen met zich mee te brengen wanneer ze worden overgebracht naar een patiënt die niet over het overeenstemmende antigeen beschikt. Een persoon die het antigeen D heeft, wordt Rhesuspositief (Rh+) genoemd, een persoon die dit antigeen niet heeft, Rhesusnegatief (Rh-). De rode bloed lichaampjes zijn bovendien ook dragers van de antigenen C, E, c en e, verschillende geassocieerd volgens genetische wetten: een bloedlichaam dat geen drager is van het C-antigeen, is noodzakelijkerwijze drager van het c-antigeen en omgkeerd. Hetzelfde geldt ook voor de antigenen E en e. Wanneer een Rh- moeder zwanger is van een Rh+ kind, leidt het contact tussen haar bloed en dat van het kind tot de vorming van anti-Rhesus-antilichamen bij de moeder. Dit contact komt gewoonlijk slechts tot stand tijdens de bevalling. Maar indien deze vrouw een tweede Rh+ kind verwacht, bestaat het risico dat haar anti-Rhesus-antilichamen de rode bloedcellen van de foetus vernietigen, waardoor deze een ernstige vorm van anemie kan oplopen, de hemolytische anemie van de pasgeborene. Vandaag worden zwangere vrouwen onderworpen aan een bloedonderzoek bij het begin van de zwangerschap om na te gaan of ze Rh- zijn. In dat geval, na de bevalling en indien hun kind Rh+ is, zal men haar een stof inspuiten die de vorming van anti-Rhesus-antilichamen verhindert. Vandaar dat hemolytische anemie aan het verdwijnen is
  • Er bestaan nog andere groepen, bepaald door verschillende antigenen die aanwezig zijn aan het oppervlak van de rode bloedlichamen. Het Kell-Cellano-systeem is het belangrijkste wat bloedtransfusie betreft. Men spoort de antilichamen van dit systeem op bij zwangere vrouwen en bij personen die al meerdere malen een transfusie hebben ondergaan. Andere classificaties hebben betrekking op andere bloedcellen: er bestaan antigenen die eigen zijn aan bloedplaatjes (voornamelijk PLA1 en PLA2), maar die weinig belang hebben bij een bloedtransfusie. Ten slotte berust HLA systeem (Human Leucocyte Antigen) op de classificatie van antigenen die voorkomen op bloedcellen, met uitzondering van de rode bloedlichamen; ze zijn van belang bij een transfusie en er wordt ook rekening mee gehouden bij transplantatie van beendermerg of organen
Zie ook:
Het bloedgroepdieet De leefregels
Elke bloedgroep een eigen programma voor optimale gezondheid van lichaam en geest
D'Adamo, P.J


De grondlegger van het bloedgroepdieet is Peter J. D’Adamo.
Hij ontdekte in de vijftiger jaren van de vorige eeuw dat sommige patiënten vegetarische en vetarme kost bijzonder goed verdroegen, maar anderen juist helemaal niet. Een mogelijke verklaring hiervoor vermoedde hij in het bloed van de mensen. Na jarenlange ondervragingen en onderzoeken van patiënten kwam hij tot de conclusie dat een dieet altijd iets heel individueels is en dat de bloedgroep ook mee beslist over welke levensmiddelen goed worden verdragen en welke minder goed. Zo ontwikkelde hij het bloedgroepdieet.
De bloedgroepenvoeding is een gevarieerde voeding. De maaltijden zijn volwaardig. Bij een gezonde voeding speelt de kwaliteit van de levensmiddelen een grote rol.

Bloedgroep O:

  • Bloedgroep 0 is historisch gezien de oudste en meest voorkomende bloedgroep ter wereld. Het is de bloedgroep van de jagers en verzamelaars van weleer, die vleeseters waren. Dat betekent echter niet dat mensen met bloedgroep 0 elke dag grote hoeveelheden vlees moeten eten. Maar het is een feit dat ze meer kunnen presteren wanneer ze 4 tot 6 maal per week een kleinere hoeveelheid van ca. 120 gr. vlees of vis op het menu zetten. Voor bloedgroep 0 is regelmatige lichaamsbeweging echter ook bijzonder belangrijk
Bloedgroep A:
  • Vanuit bloedgroep 0 ontwikkelde zich bloedgroep A, als reactie op de levenswijze van de mensen, die steeds meer begonnen voorraden aan te leggen en voedingsmiddelen zelf te produceren (landbouw, boeren). Het immuunsysteem en het spijsverteringssysteem pasten zich aan de nu overwegend plantaardige voeding aan. Mensen met bloedgroep A verdragen een overwegend plantaardige voeding
Bloedgroep B:
  • Vanuit de vaste akkerbouwgemeenschappen ontwikkelde zich de nomade, de mens met bloedgroep B. Volkrijke stammen trokken door de vaak onvruchtbare verre gebieden. Ze voedden zich met vlees en melkproducten van hun kuddes en met al het eetbare dat ze tijdens hun trektochten tegenkwamen.
Bloedgroep AB:
  • Ongeveer 1000 tot 1500 jaar geleden ontwikkelde zich de tegenwoordige zelden voorkomende bloedgroep AB. Het AB-type is een nakomeling uit een verbintenis tussen mensen met bloedgroep A en die met bloedgroep B. Een mens met bloedgroep AB heeft de meest sterke en zwakke punten van de types A en B in zich verenigd
Iedereen kan en moet het liefst de adviezen van de bloedgroepentheorie voor zichzelf testen.
Dat gaat het gemakkelijkst als u gedurende 2 tot 3 weken bij voorkeur levensmiddelen gebruikt die worden aanbevolen voor een bepaalde bloedgroep. Na deze proeftijd beoordeelt u uw persoonlijk welzijn en eventuele veranderingen ten opzichte van de tijd voordat u uw voeding wijzigde. Als u daarna terugkeert naar uw oude voedingspatroon dan zou u een verschil moeten kunnen vaststellen in hoe u zich voelt. Het verschil is natuurlijk des te groter naarmate uw normale voeding meer afwijkt van de volgens de bloedgroepentheorie meest geschikte voeding.

reade more... Résuméabuiyad

Het immuunsysteem

Het immuunsysteem is het geheel van organen, cellen en stoffen die het lichaam verdedigen tegen alle micro-organismen (bacteriën, virussen, microscopische schimmels) die het zouden kunnen infecteren.

Immunologie is de biologische en medische wetenschap die zich specialiseert in het bestuderen van de afweermechanismen van het lichaam tegen ziektekiemen en van de ontregeling van deze mechanismen. Aan de basis ervan liggen verschillende vaststellingen: elk levend wezen herkent en verdraagt hetgeen hem eigen is, maar herkent en stoot hetgeen hem vreemd is af; de herkenning, het verdragen en het afstoten vloeien voort uit complexe mechanismen waarbij organen (thymus, beenmerg), cellen (lymfocyten, macrofagen) en moleculen (cytokinen, antilichamen) betrokken zijn.


Het immuunsysteem bestaat uit specifieke cellen, het beenmerg dat die cellen produceert, de organen waarin ze zich bevinden (thymus, lymfeklieren, milt, lymfeweefsel van het verteringskanaal en bloedkanaal) en ook uit de moleculen die door deze cellen worden geproduceerd. Het organisme kan elke vreemde stof, het zogenaamde antigeen, herkennen en aanvallen dankzij een mechanisme dat immuunrespons wordt genoemd. Wanneer een vreemde stof het lichaam binnendringt, komen de cellen van het immuunsysteem in actie en vernietigen het of vormen er een antilichaam tegen. Er zijn 2 fasen in dit proces:

  1. De natuurlijke aangeboren immuniteit die het doordringen van kiemen verhindert en hen aanvalt indien ze de uitwendige barrières van het lichaam doorbreken
  2. De adaptieve verworven immuniteit, die tussenbeide komt indien de natuurlijke aangeboren immuniteit niet werkt
Het aangeboren immuunsysteem:
De verdedigingslinie van het lichaam is de fysieke barrière die gevormd wordt door het oppervlak van de huid, de anti-bacteriële stoffen in het zweet en het taaie slijm dat wordt afgescheiden door de cellen in de wand van de lichaamsopeningen. Wanneer kiemen door deze barrière dringen, zet het organisme een complex mengsel van eiwitten (proteïnen) in, dat het complementsysteem wordt genoemd; en ook bloedcellen: de natural killers (natuurlijke doders) die de door het virus geïnfecteerde cellen hetkennen en doden door ze te bestoken met chemische stoffen; de ploynucleairen en macrofagen die de micro-organismen moeten vernietigen (men noemt dit fagocytaire cellen.


De immuniteitsreactie. Een lymfocyt (geel) valt een
door een virus geïnfecteerde cel (paars) aan en
doodt ze door er chemische stoffen tegen te gebruiken

De actieve cellen van de immuniteit:
Dit zijn verschillende cellen die behoren tot de familie van de witte bloedlichaampjes. Deze cellen zijn wat men noemt immuuncompetent.


B-lymfocyten:
produceren grote hoeveelheden antilichamen (antistoffen). Onder invloed van oplosbare moleculen (cytokines) die de communicatie tussen de cellen onderhouden, veranderen ze in zogeheten plasmacellen (plasmocyten)

T-Lymfocyten:
men onderscheidt verschillende types:
  • T4 lymfocuten (helpercellen): coördineren de verschillende cellen die een rol spelen bij de immuunrespons
  • T8 lymfocyten: bevat 2 typen cellen: de cytotoxische cellen (die selectief de geïnfecteerde cellen vernietigen) en de T-suppressor-cellen (die de immuunrespons onder controle houden)
Macrofagen: zij brengen de T-lymfocyten op de hoogte van de aanwezigheid van vreemde stoffen die moeten worden geëlimineerd en waarvoor de immuunrespons moet worden geactiveerd
  • Het adaptieve immuunsysteem: reageert op een welbepaalde manier op een lichaamsvreemde stof. Wanneer een vreemde stof het lichaam is binnengedrongen, worden de T-lymfocyten hiervan verwittigd. In eerste instantie neemt een cel, meestal een macrofaag, de vreemde stof in zich op, selecteer er bepaalde fragmenten uit en presenteert die dan op haar celmembraan. Daarna worden de T-helpercellen, die het antigeen herkennen, geactiveerd. Ze scheiden bepaalde moleculen af, de cytokines, die de aanmaak van de specifieke T-lymfocyten en B-lymfocyten van het antigeen stimuleren; bovendien laten de T-helpercellen hen weten welke specifieke immuunrespons er moet plaatsvinden: de productie van antilichamen (humorale immuunrespons) of de activering van cellen (cellulaire immuunrespons). Sommige lymfocyten vormen geheugencellen: indien in de toekomst een nieuwe infectie wordt veroorzaakt door hetzelfde antigeen zullen zij onmiddellijk de immuunrespons in werking stellen.
  • De humorale immuunrespons: hiervoor zijn de B-lymfocyten verantwoordelijk. Zij produceren grote hoeveelheden antilichamen (immunoglobulines) tegen de toxines of de micro-organismen. De antilichamen verspreiden zich via het bloed, de weefsels en de slijmen. Ze neutraliseren de toxines, beletten dat nieuwe micro-organismen een infectie veroorzaken en stimuleren de fagocytaire celeen die de besmettelijke stoffen zullen vangen en vernietigen
  • Cellulaire immuunrespons: hierbij komen ofwel T-lymfocyten (cytotoxische T-cellen) tussenbeide die de door het virus geïnfecteerde cellen vernietigen, ofwel macrofagen met een verhoogde capaciteit om micro-organismen te elimineren. Deze 2 celtypes zijn ontvankelijk voor de cytokines die door de T-helpercellen worden geproduceerd en die hen toelaten om deze reactieve eigenschappen te verwerven
Histocompatibiliteit:
In 1958 ontdekte Jean Dausset, een Franse arts, dat op de witte bloedlichaampjes en op alle cellen met een kern, antigenen voorkomen die sterk variëren van persoon tot persoon: dat zijn de antigenen van de histocompatibiliteit. De genen die het ontstaan van deze antigenen controleren, bevinden zich op chromosoom 6 en staan bekend onder de naam Major Histocompatibility Complex (MHC) of HLA-systeem (Human Leucocyte Antigens). Of een transplantatie slaagt of niet hangt grotendeels af van dit systeem: hoe meer de antigenen die door het HLA-systeem worden gevormd verschillen tussen donor en ontvanger, hoe sterker de afstotingsverschijnselen zullen zijn.


Zie ook:
Het immuunsysteem is het geheel van organen, cellen en stoffen die het lichaam verdedigen tegen alle micro-organismen (bacteriën, virussen, microscopische schimmels) die het zouden kunnen infecteren.

Immunologie is de biologische en medische wetenschap die zich specialiseert in het bestuderen van de afweermechanismen van het lichaam tegen ziektekiemen en van de ontregeling van deze mechanismen. Aan de basis ervan liggen verschillende vaststellingen: elk levend wezen herkent en verdraagt hetgeen hem eigen is, maar herkent en stoot hetgeen hem vreemd is af; de herkenning, het verdragen en het afstoten vloeien voort uit complexe mechanismen waarbij organen (thymus, beenmerg), cellen (lymfocyten, macrofagen) en moleculen (cytokinen, antilichamen) betrokken zijn.


Het immuunsysteem bestaat uit specifieke cellen, het beenmerg dat die cellen produceert, de organen waarin ze zich bevinden (thymus, lymfeklieren, milt, lymfeweefsel van het verteringskanaal en bloedkanaal) en ook uit de moleculen die door deze cellen worden geproduceerd. Het organisme kan elke vreemde stof, het zogenaamde antigeen, herkennen en aanvallen dankzij een mechanisme dat immuunrespons wordt genoemd. Wanneer een vreemde stof het lichaam binnendringt, komen de cellen van het immuunsysteem in actie en vernietigen het of vormen er een antilichaam tegen. Er zijn 2 fasen in dit proces:

  1. De natuurlijke aangeboren immuniteit die het doordringen van kiemen verhindert en hen aanvalt indien ze de uitwendige barrières van het lichaam doorbreken
  2. De adaptieve verworven immuniteit, die tussenbeide komt indien de natuurlijke aangeboren immuniteit niet werkt
Het aangeboren immuunsysteem:
De verdedigingslinie van het lichaam is de fysieke barrière die gevormd wordt door het oppervlak van de huid, de anti-bacteriële stoffen in het zweet en het taaie slijm dat wordt afgescheiden door de cellen in de wand van de lichaamsopeningen. Wanneer kiemen door deze barrière dringen, zet het organisme een complex mengsel van eiwitten (proteïnen) in, dat het complementsysteem wordt genoemd; en ook bloedcellen: de natural killers (natuurlijke doders) die de door het virus geïnfecteerde cellen hetkennen en doden door ze te bestoken met chemische stoffen; de ploynucleairen en macrofagen die de micro-organismen moeten vernietigen (men noemt dit fagocytaire cellen.


De immuniteitsreactie. Een lymfocyt (geel) valt een
door een virus geïnfecteerde cel (paars) aan en
doodt ze door er chemische stoffen tegen te gebruiken

De actieve cellen van de immuniteit:
Dit zijn verschillende cellen die behoren tot de familie van de witte bloedlichaampjes. Deze cellen zijn wat men noemt immuuncompetent.


B-lymfocyten:
produceren grote hoeveelheden antilichamen (antistoffen). Onder invloed van oplosbare moleculen (cytokines) die de communicatie tussen de cellen onderhouden, veranderen ze in zogeheten plasmacellen (plasmocyten)

T-Lymfocyten:
men onderscheidt verschillende types:
  • T4 lymfocuten (helpercellen): coördineren de verschillende cellen die een rol spelen bij de immuunrespons
  • T8 lymfocyten: bevat 2 typen cellen: de cytotoxische cellen (die selectief de geïnfecteerde cellen vernietigen) en de T-suppressor-cellen (die de immuunrespons onder controle houden)
Macrofagen: zij brengen de T-lymfocyten op de hoogte van de aanwezigheid van vreemde stoffen die moeten worden geëlimineerd en waarvoor de immuunrespons moet worden geactiveerd
  • Het adaptieve immuunsysteem: reageert op een welbepaalde manier op een lichaamsvreemde stof. Wanneer een vreemde stof het lichaam is binnengedrongen, worden de T-lymfocyten hiervan verwittigd. In eerste instantie neemt een cel, meestal een macrofaag, de vreemde stof in zich op, selecteer er bepaalde fragmenten uit en presenteert die dan op haar celmembraan. Daarna worden de T-helpercellen, die het antigeen herkennen, geactiveerd. Ze scheiden bepaalde moleculen af, de cytokines, die de aanmaak van de specifieke T-lymfocyten en B-lymfocyten van het antigeen stimuleren; bovendien laten de T-helpercellen hen weten welke specifieke immuunrespons er moet plaatsvinden: de productie van antilichamen (humorale immuunrespons) of de activering van cellen (cellulaire immuunrespons). Sommige lymfocyten vormen geheugencellen: indien in de toekomst een nieuwe infectie wordt veroorzaakt door hetzelfde antigeen zullen zij onmiddellijk de immuunrespons in werking stellen.
  • De humorale immuunrespons: hiervoor zijn de B-lymfocyten verantwoordelijk. Zij produceren grote hoeveelheden antilichamen (immunoglobulines) tegen de toxines of de micro-organismen. De antilichamen verspreiden zich via het bloed, de weefsels en de slijmen. Ze neutraliseren de toxines, beletten dat nieuwe micro-organismen een infectie veroorzaken en stimuleren de fagocytaire celeen die de besmettelijke stoffen zullen vangen en vernietigen
  • Cellulaire immuunrespons: hierbij komen ofwel T-lymfocyten (cytotoxische T-cellen) tussenbeide die de door het virus geïnfecteerde cellen vernietigen, ofwel macrofagen met een verhoogde capaciteit om micro-organismen te elimineren. Deze 2 celtypes zijn ontvankelijk voor de cytokines die door de T-helpercellen worden geproduceerd en die hen toelaten om deze reactieve eigenschappen te verwerven
Histocompatibiliteit:
In 1958 ontdekte Jean Dausset, een Franse arts, dat op de witte bloedlichaampjes en op alle cellen met een kern, antigenen voorkomen die sterk variëren van persoon tot persoon: dat zijn de antigenen van de histocompatibiliteit. De genen die het ontstaan van deze antigenen controleren, bevinden zich op chromosoom 6 en staan bekend onder de naam Major Histocompatibility Complex (MHC) of HLA-systeem (Human Leucocyte Antigens). Of een transplantatie slaagt of niet hangt grotendeels af van dit systeem: hoe meer de antigenen die door het HLA-systeem worden gevormd verschillen tussen donor en ontvanger, hoe sterker de afstotingsverschijnselen zullen zijn.


Zie ook:
reade more... Résuméabuiyad

Gewrichten

De gewrichten verbinden de beenderen onderling zodat ze zich ten opzichte van elkaar kunnen bewegen. Ze zijn dus onmisbaar voor al onze bewegingen.

De meeste gewrichten van het lichaam zijn beweeglijk, soepel en lopen gesmeerd. Het gewrichtskraakbeen beschermt en vergemakkelijkt de bewegingen van de botuiteinden. Gewrichtsbanden versterken de stabiliteit van het gewricht door de beweging ervan binnen normale grenzen te houden.


De verschillende gewrichten:
  • De gewrichten worden gerangschikt naargelang hun vorm, maar ook volgens de mate van beweeglijkheid die ze toestaan. De vaste gewrichten (synarthrosen) zijn ruw, onregelmatig of getand. De beenderen zijn praktisch aan elkaar gegroeid door ktaakbeen of bindweefsel. Dit is zo bij de schedelbeenderen. De gewrichten met geringe beweeglijkheid (amfiartrosen) zijn gewrichten waarvan de beenderen zonder gewrichtsholtes door kraakbeen of bindweefsel verbonden zijn. De schijven die de wervels onderling scheiden, behoren tot dit soort gewrichten. Elke tussenwervelschijf fungeert als schokbreker tussen de wervels en laat beperkte buigbewegingen en draaibewegingen toe. Ten slotte verbinden de erg beweeglijke gewrichten (diarthrosen of synoviale gewrichten) de botuiteinden die van elkaar gescheiden zijn door een gewrichtsholte. Bij dit soort gewrichten zijn de botuiteinden bedekt met glad en stevig weefsel, het kraakbeen, dat de wrijving tijdens de beweging sterk vermindert. Het gewricht is omgeven door een (gewrichts)kapsel dat aan de binnenkant bedekt is met een fijn vlies, het synoviale membraan. Dit scheidt een kleurloze, slijmerige en lichtvloeibare stof af, het synoviaal vocht, dat de gewrichtsoppervlakken smeert en het kraakbeen voedt. Deze vloeistof is normaal slechts in kleine hoeveelheden aanwezig. Elk gewricht is omgeven door sterke gewrichtsbanden die de gewrichtsoppervlakken in contact houden en extreme bewegingen voorkomen. Sommige zeer stevige gewrichtsbanden bevinden zich in het gewricht zelf en vergroten daardoor de stabiliteit ervan. De kraakbeenoppervlakken lijken niet altijd even goed aangepast aan de vorm van de gewrichten. In dat geval zorgt een speciale structuur tussen de botuiteinden voor een perfecte aanvulling: dit is het geval voor de meniscus in de knie, het vetkussen van de heup en van de schouder
Soorten gewrichten:


Synarthrose: (vast gewricht) de schedelnaden verbinden de schedelbeenderen
Throchoïdeus: (rolgewricht of draaigewricht) Het cilindervormige gewricht tussen de atlas en de axis zorgt ervoor dat we het hoofd kunnen draaien
Enarthrose: (nootgewicht) het kogelvormige gewicht van de schouder (of de heup) laat bijna alle bewegingen toe
Condylus: het ellipsoïde gewricht van de pols zorgt voor buiging en strekking en ook voor zijdelingse beweging
Trochlea: de katrolbeweging (elleboog, enkel en kootjes) laat enkel buigbewegingen en strekbewegingen toe
Arthrodie: de vlakke gewrichten tussen de voetwortel en de middenvoet laten slechts een geringe glijdende beweging toe


Heupgewricht:

Het heupgewricht bevindt zich tussen het bekken en het bovenste botuiteinde van de dij. De heup is een erg stabiel gewricht: de ronde kop van het dijbeen past perfect in de holle, eveneens afgeronde en erg diepe, holte van het darmbeen. Sterke gewrichtsbanden verbinden het dijbeen met het bekken en zorgen zo voor de stabiliteit van de heup in alle richtingen en voor het stevig ondersteunen van het lichaamsgewicht tijdens alle energieke activiteiten van de onderste ledematen. Door de gewrichtsstructuur is een grote verscheidenheid aan bewegingen mogelijk

Synoviale vochtophoping:

Het gewricht is omgeven door een kapsel waarvan de binnenkant bekleed is met een vlies, het synoviaal membraan. Dit vlies scheidt normaal een vloeistof af die de binnenkant van het gewricht smeert. In geval van kwetsuur of ontsteking zal het vlies overmatig veel synoviaal vocht produceren waardoor het gewricht vaak pijnlijk opzwelt. Synoviale vochtophoping komt meestal voor bij de knie.

Zie ook:
De gewrichten verbinden de beenderen onderling zodat ze zich ten opzichte van elkaar kunnen bewegen. Ze zijn dus onmisbaar voor al onze bewegingen.

De meeste gewrichten van het lichaam zijn beweeglijk, soepel en lopen gesmeerd. Het gewrichtskraakbeen beschermt en vergemakkelijkt de bewegingen van de botuiteinden. Gewrichtsbanden versterken de stabiliteit van het gewricht door de beweging ervan binnen normale grenzen te houden.


De verschillende gewrichten:
  • De gewrichten worden gerangschikt naargelang hun vorm, maar ook volgens de mate van beweeglijkheid die ze toestaan. De vaste gewrichten (synarthrosen) zijn ruw, onregelmatig of getand. De beenderen zijn praktisch aan elkaar gegroeid door ktaakbeen of bindweefsel. Dit is zo bij de schedelbeenderen. De gewrichten met geringe beweeglijkheid (amfiartrosen) zijn gewrichten waarvan de beenderen zonder gewrichtsholtes door kraakbeen of bindweefsel verbonden zijn. De schijven die de wervels onderling scheiden, behoren tot dit soort gewrichten. Elke tussenwervelschijf fungeert als schokbreker tussen de wervels en laat beperkte buigbewegingen en draaibewegingen toe. Ten slotte verbinden de erg beweeglijke gewrichten (diarthrosen of synoviale gewrichten) de botuiteinden die van elkaar gescheiden zijn door een gewrichtsholte. Bij dit soort gewrichten zijn de botuiteinden bedekt met glad en stevig weefsel, het kraakbeen, dat de wrijving tijdens de beweging sterk vermindert. Het gewricht is omgeven door een (gewrichts)kapsel dat aan de binnenkant bedekt is met een fijn vlies, het synoviale membraan. Dit scheidt een kleurloze, slijmerige en lichtvloeibare stof af, het synoviaal vocht, dat de gewrichtsoppervlakken smeert en het kraakbeen voedt. Deze vloeistof is normaal slechts in kleine hoeveelheden aanwezig. Elk gewricht is omgeven door sterke gewrichtsbanden die de gewrichtsoppervlakken in contact houden en extreme bewegingen voorkomen. Sommige zeer stevige gewrichtsbanden bevinden zich in het gewricht zelf en vergroten daardoor de stabiliteit ervan. De kraakbeenoppervlakken lijken niet altijd even goed aangepast aan de vorm van de gewrichten. In dat geval zorgt een speciale structuur tussen de botuiteinden voor een perfecte aanvulling: dit is het geval voor de meniscus in de knie, het vetkussen van de heup en van de schouder
Soorten gewrichten:


Synarthrose: (vast gewricht) de schedelnaden verbinden de schedelbeenderen
Throchoïdeus: (rolgewricht of draaigewricht) Het cilindervormige gewricht tussen de atlas en de axis zorgt ervoor dat we het hoofd kunnen draaien
Enarthrose: (nootgewicht) het kogelvormige gewicht van de schouder (of de heup) laat bijna alle bewegingen toe
Condylus: het ellipsoïde gewricht van de pols zorgt voor buiging en strekking en ook voor zijdelingse beweging
Trochlea: de katrolbeweging (elleboog, enkel en kootjes) laat enkel buigbewegingen en strekbewegingen toe
Arthrodie: de vlakke gewrichten tussen de voetwortel en de middenvoet laten slechts een geringe glijdende beweging toe


Heupgewricht:

Het heupgewricht bevindt zich tussen het bekken en het bovenste botuiteinde van de dij. De heup is een erg stabiel gewricht: de ronde kop van het dijbeen past perfect in de holle, eveneens afgeronde en erg diepe, holte van het darmbeen. Sterke gewrichtsbanden verbinden het dijbeen met het bekken en zorgen zo voor de stabiliteit van de heup in alle richtingen en voor het stevig ondersteunen van het lichaamsgewicht tijdens alle energieke activiteiten van de onderste ledematen. Door de gewrichtsstructuur is een grote verscheidenheid aan bewegingen mogelijk

Synoviale vochtophoping:

Het gewricht is omgeven door een kapsel waarvan de binnenkant bekleed is met een vlies, het synoviaal membraan. Dit vlies scheidt normaal een vloeistof af die de binnenkant van het gewricht smeert. In geval van kwetsuur of ontsteking zal het vlies overmatig veel synoviaal vocht produceren waardoor het gewricht vaak pijnlijk opzwelt. Synoviale vochtophoping komt meestal voor bij de knie.

Zie ook:
reade more... Résuméabuiyad